Mer-aanmeldnotitie.

M.A.C.E.
M.e.r. beoordelingsnotitie
Mei 2015
Initiatiefnemer:
Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A..
Elsendorpseweg 28a
5424TC te Elsendorp
Contactpersoon:
F. Meulenmeesters
Locatie:
De Quayweg 8
Kadastrale gegevens:
Gemeente: Wanroij
Sectie: m
Nummer(s): 687 & 688
Opgesteld door:
ROBA Advies
D. Derks
Postbus 330
5750 AH Deurne
tel. 0493-326030
Mei 2015
M.e.r. beoordelingsnotitie
M.A.C.E.

Inhoud
1. Inleiding ………………………………………………………………………………………………………….. 5
2. Algemeen ……………………………………………………………………………………………………….. 6
Projectgegevens ………………………………………………………………………………………. 6 2.1.
Activiteit ………………………………………………………………………………………………….. 6 2.2.
Plaats activiteit ………………………………………………………………………………………… 6 2.3.
Tijd ………………………………………………………………………………………………………… 7 2.4.
3. Motivering van de activiteit ………………………………………………………………………………… 8
Aanleiding ………………………………………………………………………………………………. 8 3.1.
Doel ……………………………………………………………………………………………………….. 8 3.2.
Aard, omvang en productieproces van de activiteit ………………………………………… 9 3.3.
Afhandeling klachten ………………………………………………………………………………..12 3.4.
4. Effecten op het milieu ……………………………………………………………………………………… 13
Emissies naar de lucht ……………………………………………………………………………..13 4.1.
4.1.1. Geur ………………………………………………………………………………………………..13
4.1.2. Ammoniak en stikstofoxide ………………………………………………………………….13
4.1.3. Stofemissie ……………………………………………………………………………………….14
Geluid …………………………………………………………………………………………………….16 4.2.
Bodem ……………………………………………………………………………………………………17 4.3.
Geomorfologie …………………………………………………………………………………………18 4.4.
Energie …………………………………………………………………………………………………..19 4.5.
Gezondheid …………………………………………………………………………………………….19 4.6.
5. Ruimtelijke ordening ……………………………………………………………………………………….. 23
Rijksbeleid ………………………………………………………………………………………………23 5.1.
5.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ………………………………………………….23
5.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ……………………………….25
Provinciaal beleid …………………………………………………………………………………….25 5.2.
5.2.1. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ……………………………………….25
5.2.2. Verordening ruimte …………………………………………………………………………….27
Gemeentelijke beleid ………………………………………………………………………………..30 5.3.
5.3.1. Structuurvisie gemeente Sint Anthonis ………………………………………………….30
5.3.2. Bestemmingsplan Buitengebied …………………………………………………………..32
6. Overig beleid …………………………………………………………………………………………………. 35
Nieuwe Meststoffenwet …………………………………………………………………………….35 6.1.
Verordening dierlijke bijproducten……………………………………………………………….35 6.2.
Best beschikbare technieken ……………………………………………………………………..36 6.3.
Water …………………………………………………………………………………………………….38 6.4.
Verkeer en parkeren …………………………………………………………………………………44 6.5.
Ecologie …………………………………………………………………………………………………45 6.6.
Archeologie en cultuurhistorie ……………………………………………………………………48 6.7.
Externe veiligheid …………………………………………………………………………………….51 6.8.
Bijlage I Milieutekening ………………………………………………………………………………………….. 52
Bijlage II NER/luchtkwaliteitsonderzoek ……………………………………………………………………. 53
Bijlage III Achtergrondgeurbelasting ………………………………………………………………………… 54
Bijlage IV Akoestisch onderzoek ……………………………………………………………………………… 55
Bijlage V Business case M.A.C.E. …………………………………………………………………………… 56
Bijlage VI Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit ………………………………………. 57
Bijlage VII Huidig bouwvlak / fictief bouwvlak …………………………………………………………….. 58
Bijlage IIX HNO-Tool …………………………………………………………………………………………….. 59
Bijlage IX Verkeersrapport ……………………………………………………………………………………… 60
Bijlage X Flora- en Fauna onderzoek……………………………………………………………………….. 61
Bijlage XI Extern Veiligheidsrapport …………………………………………………………………………. 62
Bijlage XII Calamiteitenplan ……………………………………………………………………………………. 63

1. Inleiding
In het kader van het Besluit milieueffectrapportage 1994, (categorie D18.1 van de bijlage van het Besluit m.e.r.) geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor het oprichten, wijzigen of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer.
Het behandelen van mest zoals dat bij M.A.C.E. gebeurt, wordt door het bevoegd gezag als activiteit in het kader van de M.e.r.-richtlijn en derhalve ook in het kader van het Besluit milieuefffectrapportage gekwalificeerd als het verwijderen van afvalstoffen. Aangezien M.A.C.E. een omgevingsvergunning vraagt voor de verwerking van 500.000 ton ruwe drijfmest per jaar, wordt de drempelwaarde van 50 ton per dag overschreden en dient er een m.e.r. beoordeling plaats te vinden.
Na het besluit omtrent deze m.e.r. beoordelingsnotitie, zal er eventueel een Mer-procedure doorlopen worden. Na de m.e.r. beoordelingsnotitie of Mer-procedure zal de Omgevingsvergunning aangevraagd worden voor de activiteiten ‘Milieu’, ‘Bouwen’, ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam’. Gezien de procedure die doorlopen moet worden inzake het ruimtelijke spoor (Handelen in strijd met regel ruimtelijke ordening) is de aanvraag en in dit rapport omschreven aard en omvang van de activiteit, tevens de maximaal mogelijke variant.
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie dient als hulpmiddel bij de besluitvorming door het bevoegd gezag op de aan te vragen Omgevingsvergunning.

2. Algemeen
Projectgegevens 2.1.
Plaats activiteit: De Quayweg 8 te Landhorst
Kadastraal bekend als:
Gemeente Wanroij
Sectie M
Nummers 688 & 687 (gedeeltelijk)
Initiatiefnemer: Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A.. (M.A.C.E.)
Elsendorpseweg 28a
5424TC te Elsendorp
M.A.C.E. staat voor Minerale Afzet Coöperatie Elsendorp en is ontstaan uit een samenwerkingsverband van vier boeren in De Peel die daarmee zijn gestart in september 2008. Daaruit is op 11 oktober 2009 de coöperatie opgericht. Op 2 juli 2010 is M.A.C.E. ingeschreven bij KvK met als doel verwerking en verwaarden van overschot mest van de leden. Inmiddels hebben ruim 200 leden zich aangesloten bij M.A.C.E.. De aangesloten boeren hebben een contract met M.A.C.E. waarin is opgenomen hoeveel ton ruwe drijfmest zij jaarlijks leveren. Gezamenlijk hebben zij voor ruim 420.000 ton ruwe drijfmest ingeschreven.
Activiteit 2.2.
De hoofdopzet van het plan is om op de locatie aan De Quayweg 8 te Landhorst een mest be- /verwerking installatie op te richten, om circa 500.000 kubieke meter ruwe drijfmest te verwerken. De te verwerken mest is afkomstig van agrarische bedrijven uit de directe omgeving (straal van circa 12 km) van de planlocatie.
Op de betreffende locatie wordt ruwe drijfmest verwerkt tot producten met een nuttige toegevoegde waarde zoals mineralencompost, vloeibare (kunst)mest (ammoniumsulfaat) en schoon water. Daarnaast worden de producten dusdanig behandeld dat deze exportwaardig zijn waardoor ze buiten de Nederlandse landbouw afgezet kunnen worden. Op deze wijze draagt de coöperatie bij aan de doelstelling om de regionale mestmineralenproductie in balans te brengen met de regionale opnamecapaciteit van deze mineralen. Hiermee draagt de coöperatie uiteraard ook bij aan de landelijke doelstelling om de totale mestmineralenproductie in balans te brengen met de opnamecapaciteit.
Plaats activiteit 2.3.
De planlocatie aan de Quayweg 8 te Landhorst is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis op een afstand van circa 1.500 respectievelijk 1.800 meter van de kernen Landhorst en Venhorst. Kadestraal is de planlocatie bekend als gemeente Wanroij, sectie M en nummer 688 en voor een gedeelte nummer 687. Onderstaande figuur geeft de topografische ligging van de planlocatie weer.

Tijd 2.4.
Na onherroepelijk worden van de vergunning zal zo spoedig mogelijk gestart worden met de bouw, waarna men binnen één jaar de installatie in werking wenst te hebben. Deze installatie zal voor onbepaalde tijd in uitvoering zijn.

3. Motivering van de activiteit
Aanleiding 3.1.
Op dit moment is de aan- en afvoer van mest hoofdzakelijk een distributiezaak. Via transporten worden mestmineralen onbehandeld in zowel vloeibare als vaste vorm gedistribueerd vanaf de producenten naar de afnemers. Maatschappelijke wensen met betrekking tot het in balans brengen van de mestmineralenproductie en –afzet, in combinatie met geldende wet- en regelgeving vragen echter om een andere aanpak van het mestmineralenvraagstuk. Hierbij moet gedacht worden aan het be- en verwerken van mestmineralen tot producten als mineralencompost, vloeibare (kunst)mest en schoon water. Het doel van deze ‘mineralentransitie’ is om middels omzetting de mest tot waarden te brengen waardoor het mogelijk is de mineralen grotendeels buiten de Nederlandse landbouw af te kunnen zetten. Binnen de inrichting wordt het product ruwe drijfmest dusdanig bewerkt dat deze een toegevoegde waarde krijgt voor de afnemers.
De te be-/verwerken mest zal worden aangetrokken van veehouderijbedrijven uit de nabije omgeving van Landhorst. Deze veehouderijbedrijven zijn lid van M.A.C.E., dit is een collectief van circa 200 veehouders.
Figuur 2 Topografische kaart van de omgeving (straal van 12 km) rondom De Quayweg 8
Doel 3.2.
Het doel van M.A.C.E. is om centraal mest te behandelen zodat er een effluent geproduceerd wordt dat van een zodanige kwaliteit is, dat het direct op het oppervlaktewater geloosd kan worden. Anderzijds wordt er gestreefd naar het terugwinnen van zoveel mogelijk nutriënten en mineralen uit deze mest. In plaats van mest als afvalstof te zien, zal het worden bewerkt tot een product met toegevoegde waarde, welke kan worden afgezet buiten de Nederlandse landbouw. Bijkomend voordeel is dat bij de
toeleverende veehouderijen milieuwinst wordt bereikt doordat op deze locaties minder mest wordt opgeslagen en er geen mestverwerking plaatsvindt op bedrijfsniveau. Het mestverwerkingsproces kan verdeeld worden in drie fasen: voorscheiding, waarbij de vaste deeltjes uit de mest worden gehaald, en nascheiding, waarbij de vloeibare fractie gezuiverd wordt tot schoon loosbaar water en een vloeibare (kunst)mest (ammoniumsulfaat). Daarnaast wordt de vaste mest nog middels compostering verder bewerkt tot een product met toegevoegde waarde.
Aard, omvang en productieproces van de activiteit 3.3.
Het gehele (mestverwerkings) proces bestaat uit diverse stappen. Hieronder worden deze stappen en bijbehorende uitgangsgegevens zo nauwkeurig mogelijk beschreven. In de milieutekening (bijlage I) is aangegeven waar de verschillende stappen binnen de inrichting plaatvinden.
Aanvoer zwavelzuur / ruwe drijfmest
Ruwe drijfmest
Op jaarbasis wordt er vanuit de leden van de M.A.C.E. 500.000 ton ruwe drijfmest per as aangevoerd (36 ton per vrachtwagen). De aanbiedende veehouderijbedrijven liggen in een straal van circa 12 km om de voorgenomen inrichting. De bemonstering van de vracht vindt, volgens het bemonsteringsprotocol, automatisch plaats tijdens het laden op de veehouderijbedrijven. Elke vracht wordt bij aankomst bij de M.A.C.E. gewogen op een geijkte weegbrug en administratief gecontroleerd. De mest wordt vanuit de vrachtwagen gelost in de inpandig geplaatste mestbunker. Er zijn in totaal drie losplaatsen voor het lossen van de ruwe drijfmest, zodoende kunnen er drie vrachtauto’s tegelijkertijd lossen. In verband met geluid vindt het lossen van de vrachtauto’s inpandig plaats. Daarentegen blijven, in verband met praktische overwegingen, de deuren gedurende de dag periode (wanneer het lossen van ruwe drijfmest plaatsvindt) geopend.
Bij de losplaats is een hogedrukspuit/stoomcleaner aanwezig zodat een vrachtwagen en/of de losplaats, indien noodzakelijk, gereinigd kan worden.
Zwavelzuur
Het zwavelzuur wordt aangevoerd per as (36 ton per vrachtwagen). Deze vrachtwagen wordt gelost in de loods waar ook de ruwe drijfmest wordt gelost.
Opslag ruwe drijfmest / zwavelzuur
Ruwe drijfmest
Vanuit losplaats wordt de ruwe drijfmest via een gesloten buizensysteem overgepompt naar één van de drie inpandig geplaatste mestbunkers. Deze mestbunkers hebben elk een inhoud van 1.800 m3. Vanuit de opslagbunkers wordt de mest verpompt via een gesloten buizensysteem naar de schroefpersen in de mestverwerkingsloods. Tijdens het transport van de mest naar de schroefpersen gaat de mest door een zeef, waardoor mestvreemde delen (stenen, touw, kunststof, etc.) uit de mest worden verwijderd.
Zwavelzuur
Vanuit de losplaats wordt zwavelzuur via een gesloten buizensysteem overgepompt naar één van de twee opslagtanks. De opslagtanks hebben elk een inhoud van 35 m3. Deze tanks zijn dubbelwandig uitgevoerd en voorzien van een lekbak.
Mestscheiding
De eerste stap in het scheidingsproces betreft het verwijderen van de vaste fractie middels drie schroefpersen. Deze drie schroefpersen hebben een gezamenlijk capaciteit van 70 m3/h. Er ontstaat dan een dikke fractie en een vloeibaar gedeelte (dunne fractie). De dikke fractie wordt getransporteerd naar de opslagplaats (onder de schroefpersen) voor vaste mest.
In de dunne fractie afkomstig van de schroefpers zit nog ca. 2 á 3% droge stof. Deze dunne fractie wordt nogmaals gescheiden middels twee zeefbandpersen, hierbij wordt geen gebruik gemaakt van hulpstoffen. Bij een dunne fractie met een droge stof percentage van 2 á 3% hebben deze twee persen gezamenlijk een capaciteit van 60 m3/h. Hiermee wordt het percentage droge stof in de dunne fractie verlaagd tot 1 %. Beide scheidingprocessen zijn een continu proces, welke alleen zal worden onderbroken ten behoeve van reiniging en onderhoud van de installatie. De vaste fractie welke uit de zeefbandpers komt wordt ook getransporteerd naar de opslagplaats (onder de zeefbandpersen) voor de vaste fractie. Van de 500.000 ton/jaar ruwe drijfmest wordt in deze fase ca. 100.000 ton/jaar als vaste fractie (30-32% droge stof) eruit gehaald. Deze vaste fractie wordt tijdelijk opgeslagen en verder verwerkt in het composteringsproces. Naast de vaste fractie blijft er ca. 400.000 ton/jaar dunne fractie over. Deze dunne fractie wordt tezamen met het spuiwater uit de luchtwasser en het concentraat uit de reverse osmose tijdelijk opgeslagen in een opslagbunker van 1.400 m3. Na opslag wordt de dunne fractie verder verwerkt in de verdamper, stripper en omgekeerde osmose.
Verdampen
Vanuit de buffertank wordt de dunne fractie naar één van de twee verdampingsinstallatie gepompt. Gezamenlijk hebben beide verdampers een capaciteit van 52 m3/h. Verdamping is de belangrijkste stap in het gehele proces. Een verdamper is een statisch en continue proces, waarbij de dunne fractie (inclusief het spuiwater uit de luchtwasser) wordt ingedampt met behulp van mechanische damprecompressie. De verdamper bestaat uit ca. 15 km buizen waar de dunne fractie een vrij val in krijgt. Tussen deze buizen wordt stoom gepompt, waardoor de dunne fractie verdampt tot een waterdamp. In de verdamper komt de dunne fractie niet in contact met de stoom. De laatste vaste delen in de dunne fractie vallen naar beneden en worden daar opgevangen, dit betreft een stroperige substantie (10.000-15.000 ton/jaar). Deze stroperige substantie wordt toegevoegd aan de vaste fractie uit de eerste scheidingsstap (mestscheiding). De stoom welke nodig is voor dit proces wordt geleverd vanuit een stoomgenerator welke ca. 2,2 ton stoom op lage druk kan produceren. Door dit verdampingsproces en de daarbij horende hoge temperaturen is de dunne fractie direct gehygiëniseerd waarmee het is ontdaan van ziektekiemen en bacteriën. De damp die ontstaat bestaat uit water (H2O) en ammoniak (NH3) en wordt via een gesloten systeem doorgezet naar de stripper waar deze verder wordt verwerkt. Om problemen van druk of temperatuur te vermijden, wordt de verdamper onder vacuüm gehouden. Doordat de verdamper onder vacuüm wordt gezet verlaagt het kookpunt van de stoom en dat reduceert het energiegebruik. Het verdampingsproces is een continu proces, welke alleen zal worden onderbroken ten behoeve van reiniging en onderhoud van de installatie.
Stripper
De stripper zorgt voor een verdere scheiding van de damp uit de verdamper. Deze stripper heeft een capaciteit van 52 m3/h. Door de damp te destilleren en daarna te wassen met zwavelzuur wordt de ammoniak gebonden en omgezet in ammoniumsulfaat (NH3) 2S04, welke tijdelijk wordt opgeslagen in een opslagbunker met een inhoud van 400 m³. Tijdens het strippen ontstaat er een hoeveelheid ammoniumsulfaat van ca. 20.000 ton/jaar. Dit ammoniumsulfaat wordt afgevoerd en/of toegevoegd aan de vaste fractie tijdens het
composteringsproces. Het strippersproces is een continu proces, welke alleen zal worden onderbroken ten behoeve van reiniging en onderhoud van de installatie.
Aan de uitgang van de stripper, is het overgebleven water zo schoon dat het in principe kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Vanuit het Waterschap Aa en Maas wordt bij mestverwerkingsinstallaties, ten aanzien van antibiotica en resistente bacteriën, echter geëist dat het water voor lozen een reverse osmose stap en/of vergelijkbare installatie heeft doorlopen. Gezien er momenteel geen toetsingskader is waarmee aangetoond kan worden dat de verdamper met stripper een vergelijkbare installatie betreft, wordt het water voor lozing eerst door een reverse osmose installatie geleid.
Reverse osmose
Het water uit de stripper wordt voor lozing door een reverse osmose installatie geleid. Voordat het water bij de reverse osmose installatie komt wordt het tijdelijk opgeslagen in een 50 m3 buffertank. De omgekeerde osmose installatie, met een capaciteit van 50 m3/h, bestaat uit een aantal semipermeabele membranen die alleen water doorlaten. Door druk op het proceswater uit te oefenen wordt allereerst de natuurlijke osmotische druk opgeheven. Bij een druk hoger dan de natuurlijke osmotische druk wordt het water component van het proceswater door het membraan geperst. De vloeistof die achterblijft (niet door de filters geperst kan worden) wordt concentraat genoemd. Gezien het water uit de stripper zeer schoon is, is de hoeveelheid concentraat zeer beperkt. Deze beperkte hoeveelheid concentraat wordt toegevoegd aan de dunne fractie (na mestscheiding) en gaat daarmee opnieuw door de verdamper en stripper.
Vanuit de reverse osmose wordt het water afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit af te voeren water wordt constant gemonitord, waardoor wordt geborgd dat er bij eventuele calamiteiten geen water meer geloosd wordt op het oppervlaktewater. Het betreft hier een hoeveelheid van 370.000-365.000 ton water per jaar (± 42 m3/h).
Compostering
De vaste fractie en de stroperige substantie uit de verdampingsfase wordt voor de compostering samengevoegd (totaal 110.000-115.000 ton/jaar). Deze vaste fractie wordt middels een loader in één van de vier composteringstunnels gereden. Het vullen van een tunnel duurt 2 á 3 uur. Daarnaast kan een gedeelte van de reeds gecomposteerde mest in een uitgewerkte tunnel blijven liggen. Hier wordt ‘nieuwe’ vaste fractie voor de volgende tunnel batch aan toegevoegd. De reeds gecomposteerde kan de opstart van het composteringsproces bevorderen. Deze tunnels hebben een capaciteit van ca. 600 ton vaste fractie per tunnel batch. Een tunnel batch duurt 5 tot 7 dagen, waarbij de vier tunnels altijd verspreid van elkaar worden ingezet. De vier verschillende tunnels zijn dus altijd in verschillende stadia van het composteringsproces. Het composteringsproces bestaat uit drie fases. De eerste 1 á 2 dagen vindt de compostering (fase 1) plaats in een gesloten tunnel, waarbij de lucht wordt hergebruikt in de tunnel. Gedurende deze fase zal de temperatuur in de mest oplopen waarmee wordt voldaan aan de procesparameters zoals deze zijn gesteld in de verordening EG 1096/2009, waarmee het over de Nederlandse landsgrenzen vervoerd mag worden. Daarna vindt gedurende circa 1 dag nacompostering (fase 2) plaats, waarbij de mest afkoelt. De laatste 3 tot 5 dagen blijft de mest in de tunnel om te conditioneren (fase 3). Voornamelijk de duur van de laatste fase bepaald het droge stof percentage van de mest. Bij de M.A.C.E. zal de gecomposteerde mest een droge stof percentage krijgen van ca. 70%. Ten behoeve van het composteringsproces wordt er dus lucht door de te composteren vaste fractie geblazen. De benodigde hoeveelheid lucht van de vier composteringsbunkers gezamenlijk zal variëren tussen de 30.000 en 70.000 m3/h lucht.
Deze lucht wordt uit de loods gehaald, de lucht die weer uit de composteringstunnels komt in fase 2 en 3 wordt direct doorgestuurd naar de luchtwasser, of wordt (indien wenselijk) gebruikt als doorvoerlucht voor een andere tunnel. Na de compostering blijft er 52.000 ton/jaar gecomposteerde mest over. Door het composteren heeft de mest tevens gezondheid technisch een hogere waarde verkregen naast de bemestingswaarde die het al heeft voor de akkerbouw. Men kan, door te sturen in het proces, het stikstof percentage in de compost aanpassen aan de wensen van de eindgebruiker.
Opslag gecomposteerde mest
Na compostering wordt de gecomposteerde mest middels een loader uit de tunnels gereden (duur 2 á 3 uur) en in de loods opgeslagen in afwachting van vervoer naar de eindbestemming. Er is plaats voor opslag van compost productie van circa vier weken (4.000 ton).
Afvoer water / gecomposteerde mest / ammoniumsulfaat
Water
Voordat het water, afkomstig van de mestverwerkingsinstallatie, geloosd wordt op het oppervlaktewater, wordt het eerst in een rietvijver tijdelijk opgeslagen.
Gecomposteerde mest
Het overgrote deel van de gecomposteerde mest zal buiten Nederland afgezet worden. De gecomposteerde mest wordt per as (28 ton vrachtwagens) afgevoerd van het bedrijf. Gemiddeld worden er iedere dag 7 á 8 vrachten gecomposteerde mest afgevoerd. De vrachtwagens worden met de loader geladen, dit duurt ± 0,25 uur en gebeurt in de loods met gesloten deuren. Deze gecomposteerde mest heeft een zeer goede bemestingswaarde en zal ingezet worden als bodemverbeteraar.
Ammoniumsulfaat
De ammoniumsulfaat wordt per as (36 ton vrachtwagens) afgevoerd. Het overpompen van de ammoniumsulfaat uit de bunkers in de tankwagens vindt plaats in dezelfde loods als waar de ruwe drijfmest wordt gelost. Deze ammoniumsulfaat wordt afgezet en hergebruikt als meststof/kunstmest voor akkerland.
Afhandeling klachten 3.4.
M.A.C.E. tracht zo open mogelijk te communiceren richting de gemeente,
omwonenden, omliggende bedrijven en de milieucoördinator van het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant). Eventuele klachten kunnen in de toekomst worden gemeld bij de manager van de installatie (Dhr. J. Donkers / 06-53308588) en of bij de voorzitter van M.A.C.E. (dhr. F. Meulenmeesters / 06-51660029). Er gaat zo snel mogelijk (steeds op dezelfde dag) iemand van M.A.C.E. langs bij de klager om meer uitleg te vragen omtrent de klacht en eventueel uitleg te geven over de situatie. Daarnaast wordt er bij een binnengekomen klacht ook steeds contact opgenomen met de milieucoördinator om na te gaan of er verder nog klachten geuit worden tegen het bedrijf. Met deze aanpak hoopt het bedrijf kleine problemen snel en efficiënt te kunnen aanpakken. Indien de indiener van de klacht wenst kunnen klachten ook direct gemeld worden bij de milieucoördinator (Provincie Noord-Brabant / (073) 6812821 / mkc@brabant.nl). De milieucoördinator zal in beide gevallen de klacht zo spoedig mogelijk doorzetten naar de betreffende instantie. Tevens zal de milieucoördinator deze de indiener van de klacht op de hoogte houden van de afwikkeling. Ook houdt de milieucoördinator een registratie bij van alle ingediende klachten.

4. Effecten op het milieu
Emissies naar de lucht 4.1.
4.1.1. Geur
De geuremissie in de beoogde situatie wordt bepaald door de emissies vanuit de mestbunkers, de opslagloods voor de rulle fractie, het verladen van de rulle fractie en de mest be-/verwerkingsinstallaties. De geuremissie welke vrijkomt in de loods (2) wordt voordat deze de verwerkingsloods verlaat gewassen door een luchtwasser welke is voorzien van een biofilter (wortelhout), middels deze luchtwasser wordt 75% van de geur verwijderd. Deze geuremissie is in het onderzoek NER/luchtkwaliteit (bijlage II) getoetst aan de NER richtlijn. Tevens is er een onderzoek opgesteld waarin de achtergrondgeurbelasting (bijlage III) is berekend. Uit dit tweede onderzoek wordt duidelijk wat de bijdrage is qua geur, ten opzicht van de in de omgeving gelegen veehouderijbedrijven.
In het onderzoek NER/luchtkwaliteit is zichtbaar dat de maximale geurbelasting plaats vindt op de woning welke is gelegen aan De Quayweg 53, deze geurbelasting betreft 0,43 OUE(H)/m3 (98-percentiel) en 2,44 OUE(H)/m3 (99,99-percentiel). Aan de hand hiervan kan geconcludeerd worden dat de inrichting qua geurbelasting op de omliggende woningen voldoet aan de geldende richtwaarden van 1,0 OUE(H)/m3 (98-percentiel) 10 OUE(H)/m3 (99,99-percentiel), welke gelden in het ‘gemengd gebied’.
In de Achtergrondgeurbelasting (bijlage III) is de geurbelasting van alle veehouderijen (exclusief rundvee- en nertsenhouderijen) welke zijn gelegen binnen een straal van 4 kilometer om De Quayweg 8 berekend. Hieruit blijkt dat het achtergrondconcentratie ter plaatse van de berekende woningen varieert van 7,6 tot 29,0 OUE/m3. De geurbelasting op de woningen waar de achtergrondbelasting hoog (>25 OUE/m3) is, wordt veroorzaakt door de eigen veehouderij dan wel door een directe aangrenzende veehouderij van derden.
Specifiek voor de locatie waar de M.A.C.E. de meeste invloed op heeft (De Quayweg 53) bedraagt de achtergrondbelasting 13,9 OUE/m3. Op de kom van Landhorst en Venhorst bedraag achtergrondbelasting 11,9 en 7,6 OUE/m3.
Formeel gezien kan de geuruitstoot van de mestverwerking door M.A.C.E. niet vergeleken worden met de berekende geur afkomstig van de veehouderijen waarmee gerekend is. Indicatief kan echter wel worden gesteld dat de geurbelasting van de M.A.C.E. op de berekende woningen ten opzichte van de achtergrondconcentratie geen significante bijdrage heeft.
4.1.2. Ammoniak en stikstofoxide
De ammoniakemissie vanuit de beoogde inrichting wordt bepaald door de emissie vanuit de mestbunkers, opslagloods voor de rulle fractie, het verladen van de rulle fractie en de mest be-/verwerkingsinstallaties. Uit de resultaten van het NER luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat na de 3-traps luchtwasser de luchtkwaliteit met 1,94 mg/m3 ruim wordt voldoet aan de NER norm voor Klasse gA.3 van 30 mg/m3.
Stikstofoxiden (NOx) is de verzamelnaam voor verbindingen tussen zuurstof en stikstof. De voornaamste zijn stikstofmonoxide en stikstofdioxide. Stikstofoxiden ontstaan bij de verbranding van fossiele brandstoffen. In de huidige situatie heerst op de betreffende locatie een achtergrondconcentratie van 19.2 – 23,0 mg/m3.
Figuur 3 Uitsnede grootschalige concentratie kaarten (GCN) stikstofoxiden (NOx)
In de beoogde situatie is er sprake van emissie van stikstofoxiden veroorzaakt door
stoomketel, wegvervoer binnen de inrichting en gebruik van andere motorvoertuigen als
een shovel op eigen terrein. Uit de resultaten van het NER luchtkwaliteitsonderzoek blijkt
dat er met een emissie van 0,83 μg/m3 op de achtergrondconcentratie geen relevante
bijdrage is.
4.1.3. Stofemissie
De emissie van fijnstof (PM10-2,5) kan veroorzaakt worden door onder andere
verkeersbewegingen en industriële bronnen.
In de beoogde situatie is enkel sprake van fijnstof emissie veroorzaakt door wegvervoer
binnen de inrichting en het gebruik van motorvoertuigen als een shovel op eigen terrein.
Daarnaast kunnen stookinstallaties bijdragen aan de fijnstof emissie. Gezien de aanwezige
stoomketel wordt gestookt op aardgas, is deze bijdrage echter zo minimaal dat deze in de
modellering verwaarloosbaar klein is.
PM10
In de huidige situatie heerst op de betreffende locatie een achtergrond een concentratie van
23.1 – 26,6 mg/m3.
Uit de resultaten van de fijnstof berekening, uit het onderzoek NER/luchtkwaliteit (bijlage II),
blijkt dat er een maximale stijging is van de fijnstof concentratie van 0,02 μg/m3 op de
gevoelige objecten De Quayweg 53 & 55. Deze bijdrage blijft echter ruim onder de NIBM.
De Wet luchtkwaliteit geeft daarnaast de volgende grenswaarden voor fijnstof (PM10):
– 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie;
– 50 μg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, die 35 keer per jaar mag worden
overschreden.
De maximale fijnstof concentratie (achtergrond incl. M.A.C.E.) op een gevoelig object
(Groote Baan 1a/1b) is maximaal 25,78 μg/m3 met een overschrijding van maximaal 11
dagen en voldoet daarmee ruim aan grenswaarden als opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.
PM2,5
In de huidige situatie heerst op de betreffende locatie een achtergrond een concentratie van
14 – 16 mg/m3.
Figuur 4 Uitsnede grootschalige concentratie kaarten (GCN) Fijnstof (PM10)
Uit de resultaten van de fijnstof berekening, uit het onderzoek NER/luchtkwaliteit (bijlage II), blijkt dat er een maximale stijging is van de fijnstof concentratie van 0,02 μg/m3 op de gevoelige objecten De Quayweg 53 & 55.
De Wet luchtkwaliteit geeft een grenswaarden volgende grenswaarden voor fijnstof (PM2,5):
– 25 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie;
– 20 μg/m3 als gemiddelde blootstellingsverplichting (GBI). Dit is een norm die op
Rijksniveau wordt bewaakt en waar de Rijksoverheid voor verantwoordelijk is.
De maximale fijnstof concentratie (achtergrond incl. M.A.C.E.) op een gevoelig object (De Quayweg 53 & 55) is maximaal 14,74 μg/m3 en voldoet daarmee ruim aan grenswaarden als opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.
Geluid 4.2.
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.
Het doel van de Europese richtlijn omgevingslawaai is, om op basis van prioriteiten, de schadelijke gevolgen (inclusief hinder) van blootstelling aan omgevingslawaai te vermijden, voorkomen of verminderen. Daarnaast moet de richtlijn een grondslag gaan bieden voor het ontwikkelen van Europees bronbeleid. Het gaat daarbij om eventuele aanscherping van de maximale geluidsniveaus (bronvermogens) van de belangrijkste bronnen. Hieronder vallen onder andere voertuigen, materieel voor gebruik buitenshuis en bronnen als ventilatoren
Figuur 5 Uitsnede grootschalige concentratie kaarten (GCN) Fijnstof (PM2,5)
e.d. In het kader van de modernisering van het instrumentarium geluidsbeleid is per 1 januari 2007 de Wet geluidhinder gewijzigd.
Het geluidsniveau LAr,LT veroorzaakt door de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, mag ter plaatse van woningen van derden en andere geluidsgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:
– 40 dB(A) gedurende de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur;
– 35 dB(A) gedurende de avondperiode tussen 19.00 uur en 23.00 uur;
– 30 dB(A) gedurende de nachtperiode tussen 23.00 uur en 07.00 uur.
Het piekgeluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting, gemeten in meterstand “fast”, mag nabij gevels van woningen, niet meer bedragen dan:
– 70 dB(A) gedurende de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur;
– 65 dB(A) gedurende de avondperiode tussen 19.00 uur en 23.00 uur;
– 60 dB(A) gedurende de nachtperiode tussen 23.00 uur en 07.00 uur.
In het kader van de gewenste activiteit is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door M&A (bijlage IV). Dit akoestisch onderzoek zal ook deel uitmaken van de aan te vragen omgevingsvergunning. Uit dit onderzoek blijkt dat voldaan wordt (Tabel 1) aan de hierboven beschreven normen.
LAr,LT [dB(A)]
LAmax [dB(A)]
Immissiepunt
dag
avond
nacht
dag
avond
nacht
1. De Quayweg 53
40
33
30
54
54
54
2. De Quayweg 10
25
24
23
38
40
40
4. Ref. punt op 100 m N
37
39
36
52
54
54
5. Ref. punt op 100 m O
36
32
29
50
52
51
6. Ref. punt op 100 m W
31
29
28
41
40
37 NORMERING 40 35 30 70 65 60
Tabel 1 Geluiduitstraling vanuit de inrichting (bron: akoestisch onderzoek industrielawaai)
Aangezien er in de huidige situatie een reguliere melkrundveehouderij is gevestigd op de locatie De Quayweg 8, zal de nieuwe ontwikkeling naar alle waarschijnlijkheid een toename veroorzaken met betrekking tot de geluidsbelasting. Vanuit het akoestisch onderzoek kan echter geconcludeerd worden dat de gewenste situatie in verband met de milieuprocedure, er geen bezwaren bestaan uit akoestisch oogpunt. Verder kan worden geconcludeerd dat ook uit oogpunt van de ruimtelijke ordening het akoestisch klimaat ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting aan de De Quayweg 8 te Landhorst, zowel binnen als buiten de woningen rondom de inrichting als goed betiteld kan worden.
Bodem 4.3.
Voor de aangevraagde situatie vindt er een uitbreiding plaats ten aanzien van bodembedreigende processen. Hierbij kunnen worden genoemd, de opslag van mest(stoffen). In het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Activiteitenbesluit zijn en worden er in de voorschriften bodembeschermende
maatregelen opgenomen. Voor wat betreft de opslag en vertappen van milieugevaarlijke stoffen, zoals dieselolie, afgewerkte olie en smeermiddelen, wordt er getoetst aan de NRB (Nederlandse Richtlijn Bodembescherming). De diesel wordt opgeslagen in een kiwa gecertificeerde tank, de overige oliën worden geplaatst in een lekbak. De opslagvoorzieningen voor mest worden voorzien van een vloeistofkerende vloeren. De opslagvoorziening van het zwavelzuur wordt dubbelwandig uitgevoerd, tevens worden deze twee tanks in een vloeistofdichte lekbak geplaatst.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan, een wijziging daarvan of een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of bodemverontreiniging de voorgenomen bestemming niet onmogelijk maakt of belemmert. Als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening moet tenminste middels een historisch onderzoek (HO) worden onderzocht of eventuele bodemverontreiniging een belemmering vormt. In sommige gevallen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Indien een vermoeden van verontreiniging bestaat of het HO hiertoe aanleiding geeft dient
een daadwerkelijk bodemonderzoek NEN 5740 te worden uitgevoerd.
Na vergunningverlening zal in eerste instantie een historisch onderzoek (HO) worden uitgevoerd en indien noodzakelijk zal daadwerkelijk een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Dit zal ook noodzakelijk zijn ten behoeve van de bouwvergunning.
Geomorfologie 4.4.
Geomorfologie is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de vormen van het aardoppervlak. Deze tak van aardwetenschappen omvat het karakter van het reliëf, het omschrijven van de gedaante van de vormen en het onderzoek naar hun ontstaanswijze. Op een geomorfologische kaart (Figuur 6) vinden we deze aspecten dan ook terug: informatie over hoogteverschillen, genese (ontstaan) en ouderdom voor een specifiek kaartelement. Al deze elementen vormen samen patronen die het verhaal van het ontstaan en de vorming van het landschap vertellen.
Figuur 6 Geomorfologische kaart
De locatie De Quayweg 8 wordt gekenmerkt door zijn ligging op ‘Plateau (incl. horstglooiing). De geplande ontwikkelingen hebben echter geen invloed op geomorfologische toestand van de omgeving.
Energie 4.5.
Energie is een belangrijk aspect om rekening mee te houden omdat er veel aardgas nodig is voor de productie van stoom. Uiteraard hebben de vele motoren, schroeven en pompen ook nogal wat elektrisch vermogen nodig.
De verdampingsinstallatie heeft een energieverbruik waar de leverancier ook een garantie voor afgeeft. Deze firma heeft wereldwijd al vele verdampingsinstallaties staan voor verschillende doeleinden. De garantie is dat de verdampingsinstallatie 52,5 ton per uur verwerkt. Waarschijnlijk zal er 1200 kWh/uur elektriciteit nodig zijn, met een garantie van maximaal 1350 kWh per uur. Voor gasverbruik zal er waarschijnlijk 1000 kWh/uur nodig zijn, met een garantie van 1500 kWh/uur. In één kuub gas zit ongeveer 9,7 kWh. Na omrekening betekent dit, dat per te verdampen ton effluent zo’n 25 kWh elektriciteit en 3 kuub aardgas nodig is. Bij doorvoer van 80% door de verdamper (dunne fractie + spuiwater luchtwasser) is dus per aangevoerde ton ruwe drijfmest 0,80×25= 20 kWh nodig en 0,08×3= 2.4 m³ aardgas.
Wat betreft elektriciteit moet ook nog rekening gehouden worden met het scheidingsproces, de luchtwasser, de compostering en de overige werkzaamheden. Hiervoor wordt gerekend met 10 kWh/ton doorgevoerde mest.
Dit betekent dat er in totaal 500.000 x 2,4m³ = 1.200.000 m³ aardgas en (500.000 x 30) = 15.000.000 kWh elektriciteit nodig is.
Gezondheid 4.6.
Ten aanzien van de volksgezondheid wordt er in deze paragraaf bekeken of en welke nadelige gevolgen de beoogde ontwikkeling met zich mee kan brengen en welke maatregelen worden getroffen om deze gevolgen te beperken. De categorieën welke hieronder worden beschreven komen voort uit de rapportage ‘Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij’ van de GGD’en Brabant en Zeeland (september 2013). Dit betreffen de categorieën geur, fijnstof / endotoxinen, zoönosen, transport en Landschappelijke inpassing.
Geur
Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress gerelateerde somatische gezondheidsklachten (bijvoorbeeld hoofdpijn). Het meest voorkomende en beschreven (gezondheids)effect van geur is (ernstige) hinder. De beoordeling van geur is subjectief en individueel bepaald. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder meer af van de aangenaamheid, de duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen hierbij een belangrijke rol. Uiteraard beïnvloeden ook persoonsgebonden eigenschappen de ervaren hinder.
De bron van geur binnen de inrichting betreffen de activiteiten in de loods waar de opslag van ruwe-/vastemest en de mestverwerkingsactiviteiten plaatsvinden.
Om de emissie van geur zo veel mogelijk te beperken word er op deze loods een luchtwasser geplaatst welke 75% van de geuremissie reduceert. De ventilatoren welke de luchtwasser voorzien van lucht houden tevens de loods (2) op onderdruk, waardoor de lucht afkomstig van de verwerkingsactiviteiten niet direct naar buiten treed maar via de luchtwasser wordt gewassen. Naast het aansluiten van de loods op een luchtwasser zal er getracht worden de emissie zo veel mogelijk bij de bron aan te pakken. Zo zal er zorg gedragen worden dat de vrachtwagens welke de mest vervoeren, zuiver zijn en zowel binnen als buiten de inrichting geen mest morsen. Tevens zal het erf schoon gehouden worden.
Om de geuremissie op de direct omliggende woningen zo veel mogelijk te beperken wordt de luchtwasser (daar waar de lucht de loods verlaat) zo ver mogelijk van de betreffende woningen gesitueerd. De dichtstbij gelegen woning betreft De Quayweg 53 welke is gelegen op circa 170 meter van de luchtwasser.
Fijnstof en endotoxinen
Fijnstof is een verzamelnaam voor deeltjes in de lucht met verschillende grootte en verschillende samenstelling. De grootte van de deeltjes bepaalt waar ze in de longen
terecht komen. In combinatie met de samenstelling bepaalt het tot welke effecten dat kan leiden. Hierbij geldt dat hoe kleiner de stofdeeltjes, hoe dieper zij kunnen doordringen in de longen en hoe schadelijker ze zijn. Het fijnstof in de lucht is deels van natuurlijke oorsprong, zoals bodemstof, zeezout en plantenmateriaal, en deels als gevolg van activiteiten door menselijk handelen, zoals roetdeeltjes, bandenslijpsel en stalstof.
Endotoxinen zijn bestanddelen van de celwand van bacteriën. Als bestanddeel van organische stofdeeltjes (als onderdeel van fijnstof) komen ze voor in de buitenlucht en in woningen. Gezondheidseffecten die kunnen optreden aan de hand van fijnstof en endotoxinen betreffen luchtwegklachten en –ontstekingen en zelfs tot negatieve effecten op het hart- en vaatsysteem. Na inademing kunnen direct verschijnselen zoals droge hoest, kortademigheid met verminderde longfunctie en koorts optreden.
Bij de opslag van de ruwe drijfmest de verwerking daarvan en de opslag van de gecomposteerde mest komt, gezien het droge stof gehalte, geen tot vrijwel geen fijnstof plaats. De emissie van fijnstof en endotoxinen zal dan ook wat betref die activiteiten nihil zijn. Wel vindt er emissie van fijnstof plaats door het gebruik van verbrandingsmotoren (loader en vrachtwagens) en de stookinstallatie welke zorgt voor de productie van stoom ten behoeve van de mestverdamper.
De fijnstof welke door de loader wordt geproduceerd in de loods en de eventueel geringe productie van fijnstof door het mestverwerkingsproces wordt afgezogen door de 3-traps luchtwasser. Deze luchtwasser reduceert naast ammoniak en geur ook 80% fijnstof. De uitstoot van fijnstof uit de loods zal dan ook zeer gering zijn. Uit het onderzoek NER/luchtkwaliteit (bijlage II) blijkt dat de uitstoot van fijnstof van de inrichting ruim onder de te hanteren normen blijft.
Zoönosen
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die via de lucht verspreiden naar mensen, via direct contact tussen dier en mens of via voedsel. Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van belang. Enkele zoönosen die een risico (kunnen) vormen voor omwonenden van veehouderijbedrijven zijn Q-koorts, vogelgriep, varkensgriep en het risico van antibioticaresistente bacteriën. Aanwezige veehouderijbedrijven zorgen
voor een (mogelijke) verhoogde blootstelling aan via de lucht overdraagbare zoönosenverwekkers en antibioticaresistente bacteriën die leiden tot een verhoogd risico op infectieziekten of onbehandelbare infecties. Uit onderzoek heeft men echter nog niet goed inzichtelijk kunnen maken vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen het risico verhoogd is.
Wat betreft de inrichting, moet opgemerkt worden dat hier geen sprake is van het houden van dieren, echter valt ook niet uit te sluiten dat in de aan te voeren ruwe drijfmest ziektekiemen aanwezig zijn. Echter worden er zowel binnen als buiten de inrichting zorg voor gedragen dat er geen overdracht plaatsvindt van deze ziektekiemen op mensen. Enerzijds gebeurt dit door direct contact tussen mensen en de mest te mijden. Dit zal gebeuren door er zorg voor te dragen dat de vrachtwagens welke de mest vervoeren zowel binnen als buiten de inrichting geen mest morsen en door het erf schoon te houden. Anderzijds gebeurt dit door overdracht via de lucht te voorkomen. Dit wordt gerealiseerd doordat de ruwe drijfmest bij aankomst direct via een gesloten systeem wordt gelost op een afgesloten mestbunker. De daarbij vrijkomende verdringingslucht wordt via het composteringsproces en de luchtwasser geleid. Ook de overige lucht welke vrijkomt, bij de verwerkingsactiviteiten, in de loods wordt door de luchtwasser geleidt. Tevens wordt binnen de inrichting de mest gehygiëniseerd waardoor eventueel aanwezige ziektekiemen en bacteriën worden verwijderd. Dit gebeurt door de mest na opslag te scheiden waarbij de dunne fractie via de verdamper en de stripper verder wordt verwerkt. Door de hoge temperaturen bij de verdamping- en composteringsproces wordt de mest ontdaan van sporenvormers en toxinevorming en daarmee gehygiëniseerd. De af te voeren producten (water, ammoniumsulfaat en gecomposteerde mest) zijn zodoende vrij van ziektekiemen.
Transport
In de paragraaf ‘6.5 Verkeer en parkeren’ wordt aan de hand van het opgestelde verkeersonderzoek nadrukkelijk ingegaan op de verkeersafwikkeling en de bijbehorende effecten. Hieruit blijkt dat De Quayweg ondanks de toename in verkeersbewegingen vanuit veiligheidsoverwegingen niet aangepast hoeft te worden. Tevens blijkt dat met betrekking tot de milieu-aspecten luchtkwaliteit en geluid, ondanks een geringe toename aan fijnstof, stikstofdioxide en geluid, ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen.
Ondanks dat men hier op lokaal niveau geen voordeel aan beleefd, moet in oogschouw worden genomen dat er lokaal (lees: De Quayweg) inderdaad een toename is wat betreft verkeersbewegingen. Daartegenover staat dat er regionaal en nationaal juist minder verkeerskilometers worden gemaakt. Tot op heden wordt de ruwe drijfmest namelijk over een grotere afstand afgevoerd naar akkerbouwgebieden in het noorden en westen van het land. Bij het verwerkingsproces van de 500.000 ton ruwe drijfmest blijft nog maar 52.000 ton gecomposteerde mest en 20.000 ton ammoniumsulfaat over, welke afgevoerd moet worden naar andere gebieden in het binnen- of buitenland. Dit betekend een beperking in hoeveelheid transportkilometers en bijbehorend milieueffect op (boven) regionaal niveau.
Landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing heeft een directe relatie met gezondheid. Bomen en struiken hebben een positief effect op gezondheid door de invloed op geluid. Een groen uitzicht vermindert de hinder die lawaai kan opleveren hoewel het feitelijk geluidniveau niet word verlaagd door beplanting (informatieblad Groen en Geluid GGD werkgroep groen en gezondheid, 2012). Daarnaast is de hoeveelheid groen in de woonomgeving van mensen positief geassocieerd met de ervaren gezondheid van bewoners, zowel in stedelijke en plattelandse woonomgeving. Ook kan de aanwezigheid van lokaal groen de concentraties
luchtverontreinigende stoffen in de lucht verlagen, doordat de verontreinigingen op de vegetatie worden gedeponeerd of geabsorbeerd. Een negatief effect wordt veroorzaakt door pollen en schimmelsporen afkomstig van bomen. Deze stoffen kunnen de gezondheid van allergische en/of astmatische personen negatief beïnvloeden.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage VI). Door het aanbrengen van erfbeplanting van hagen, bomen en struiken krijgt de directe omgeving van de inrichting een groene uitstraling en wordt het geheel zo goed mogelijk landschappelijk ingepast. Daarnaast komt achter loods 2 een infiltratievijver voor het regen water en een rietvijver waar het af te voeren water tijdelijk wordt opgeslagen. Ondanks dat het water na het strippen schoon genoeg is om direct te lozen op het kanaal wordt het tijdelijk opgevangen in deze rietvijver. Het landschappelijke inpassingplan is dus voornamelijk bedoeld om de gehele inrichting in het landschap in te passen, eventuele positieve effecten op gezondheid en geluid zijn een bijkomend voordeel echter is de verwachting dat deze effecten gering zijn.

Ruimtelijke ordening 5.
Rijksbeleid 5.1.
5.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een
krachtige aanpak die ruimte geef aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet,
investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar
verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere
verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en ontwikkelingen van burgers en bedrijven. In deze structuurvisie
schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Deze tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts een van de instrumenten die worden ingezet. Ook kennis, bestuurlijke afspraken en kaders worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is nodig om de nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende (wereldwijde) omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid
op rijksniveau en vormt de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke
consequenties. In deze structuurvisie is een kaart opgenomen, op deze kaart is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid. De locatie is, naast de laagvliegroute, niet gelegen binnen een dergelijke gebied en structuur. In de nabijheid is verder alleen een buisleiding en een zone met militaire beperking aanwezig, de laagvliegroute geeft geen beperkingen voor het initiatief. Het initiatief heeft dan ook geen invloed op deze gebieden/structuren.
Figuur 7 Uitsnede kaart buisleidingen en ondergrond
Figuur 8 Uitsnede kaart ruimte voor militaire activiteiten
Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief
zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het
systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk
schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden
afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van.
Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij
nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de
gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Deze aspecten
komen in deze notitie maar ook in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij het plan aan
de orde.

5.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking
getreden. Het Barro is gericht op doorwerking van de in de Structuuvisie Ruimte en Infrastructuur opgenomen nationale belangen, in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:
– Rijksvaarwegen;
– Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
– Kustfundament;
– Grote rivieren;
– Waddenzee en waddengebied;
– Defensie;
– Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
– Elektriciteitsvoorziening;
– Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
– Ecologische hoofdstructuur;
– Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
– IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
– Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
De locatie is niet gelegen in één van deze van nationaal belang zijnde vlakken.
Provinciaal beleid 5.2.
5.2.1. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO 2010 vastgesteld. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend; De groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. De planlocatie is gelegen in het landelijk gebied. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De provincie wil binnen het landelijk gebied het volgende bereiken:
1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie
2. Ruimte voor agrarische ontwikkeling
3. Een duurzame land- en tuinbouw
4. Versterking van het landschap
Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven, het ‘gemengd landelijk gebied’ en ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. De planlocatie is gelegen in het accentgebied agrarische ontwikkeling de peelstreek van Mill tot Someren (Figuur 9).
Figuur 9 Uitsnede structuurvisiekaart
De Peelstreek is een jonge ontginning met een modern en grootschalig landschap met een sterke positie voor intensieve veehouderij en glastuinbouw. Het is een open gebied, omgeven door grote natuurgebieden waarvan enkele Natura2000 gebieden. Midden in het gebied liggen enkele grote bosgebieden en landgoederen.
De accentgebieden agrarische ontwikkeling worden gekenmerkt door mogelijkheden voor een meer dominante positie van de hier aanwezige landbouwsectoren. In deze gebieden ziet de provincie niet alleen ontwikkelingsmogelijkheden voor de aanwezige sector maar ook voor activiteiten die gelieerd zijn aan de in het gebied voorkomende agrarische sector mits daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de duurzaamheidsdoelen. Het gaat daarbij onder andere om mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van energie, mest be-/verwerking, opslag en transport, voorbewerking van producten en het centraliseren van kennis(ontwikkeling).
In deze door gemeenten nader te bepalen en te begrenzen primair agrarische gebieden heeft de land- en tuinbouw een voorkeurspositie. Binnen de verschillende deelgebieden wordt clustering en samenwerkingscollectieven van gelijk geaarde bedrijven, aansluitend op de bestaande, sterk vertegenwoordigde sector in het gebied, nagestreefd.
Dit betekent dat:
• aansluitend bij de karakteristiek van de aanwezige bedrijven (sector) is er ruimte, maar niet elk bedrijf kan zich op elke plek ontwikkelen;
• er ruimte is voor aan de sector gelieerde en/of ondersteunende activiteiten zoals voor verwerking, opslag, logistiek en duurzame energieopwekking op de locatie;
• de infrastructuur past bij grootschalige landbouw;
• duurzaamheid door samenwerking en uitbouw van kringlopen ruimtelijk wordt ondersteund;
De provincie wil in deze gebieden voorkomen dat menging met andere functies leidt tot aantasting van de primaire productiestructuur. In de door de gemeente begrensde “accentgebied agrarische ontwikkeling” worden daarom geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen gepland op het gebied van verstedelijking, recreatie of natuur.
In de Peelstreek zijn er extra mogelijkheden voor de ontwikkeling van agribusiness. Verwerking, opslag, transport en energieopwekking zijn mogelijk onder de randvoorwaarde dat dit leidt tot een afname van de milieudruk (lucht, bodem, water).
Het initiatief aan De Quayweg 8 te Landhorst betreft een initiatief dat qua activiteit, omvang en duurzaamheid aansluit op de beleidslijn zoals voor de Peelstreek is opgenomen in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. Het initiatief bestaat namelijk uit een samenwerkingsverband van verschillende agrarische ondernemers in de omgeving waarbij mest op een duurzame wijze wordt verwerkt.
5.2.2. Verordening ruimte
De structuurvisie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. In deze structuurvisie zijn de samenhang weergegeven tussen milieu, verkeer, vervoer en water. Daarnaast houdt de structuurvisie rekening met het provinciale economisch, sociaal- cultureel en ecologisch beleid.
De Verordening ruimte 2014 is een uitwerking van de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening en is door de Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 en 14 maart 2014 vastgesteld. Daarna hebben Gedeputeerde Staten op 18 maart 2014 besloten de Verordening ruimte 2014 op onderdelen te wijzigen.
De Verordening Ruimte 2014 bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van bestemmingsplannen en andere planologische maatregelen. De Verordening ruimte 2014 heeft Noord-Brabant verdeeld in vier structuren.
• Stedelijke structuur;
• Ecologische hoofdstructuur;
• Groenblauwe mantel;
• Gemengd landelijk gebied.
Figuur 10 Uitsnede kaart Verordening ruimte

Het plangebied is gelegen binnen de structuur “Gemengd landelijk gebied” (Figuur 10). Tot het “Gemengd landelijk gebied” behoort het gebied buiten de stedelijke structuur met uitzondering van de ecologische hoofdstructuur en groenblauwe mantel. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Functies die niet passen bij het gewenste ontwikkelingsperspectief worden in de bestemmingsplannen uitgesloten. Om de ruimte voor de agrarische sector ook naar de toekomst toe te bewaren, is het wenselijk strijdige functies te beperken. Het staat niet op voorhand vast welke functies strijdig zijn met de in het gebied aanwezige land- en tuinbouw.
Qua mest be-/verwerking biedt de Verordening ruimte 2014 in beginsel alleen mogelijkheden voor mest be-/verwerking ten behoeve van de op locatie gevestigde veehouderij. De ontwikkeling van mest be-/verwerking ten behoeve van derden is mogelijk indien aangetoond kan worden dat voldaan wordt aan de randvoorwaarden zoals deze zijn gestel in art. 7.12, lid 3, onder a – j.
a. de locatie niet binnen een bebouwingsconcentratie ligt;
De Quayweg 8 is niet gelegen in een bebouwingsconcentratie.
b. de noodzaak aanwezig is vanwege de wettelijke plicht tot mestverwerking van het mestoverschot in Noord-Brabant;
Per 1 januari 2014 heeft het ministerie van EL&I het huidige meststelsel herzien. Het nieuwe stelsel is erop gericht de productie en afzet in evenwicht te brengen. Dit wil men bereiken door in te zetten op drie sporen:
– Een nieuw stelsel van verantwoorde mestafzet en verplichte mestverwerking;
– Voermaatregelen;
– Europese erkenning van hoogwaardige producten uit dierlijke mest als kunstmestvervanger.
Bij het initiatief aan De Quayweg 8 wordt ingespeeld op de verplichte mestverwerking. Op basis van de nieuwe mestwet is er namelijk een verbod op de productie van dierlijke mest, tenzij er voor de productie afzetruimte wordt geregeld. Bedrijven die meer dierlijke meststoffen produceren dan ze volgens de gebruiksnormen op eigen grond mogen aanwenden, moeten een percentage van het productieoverschot verwerkt worden. Voor de regio Zuid is voor 2014 voorlopig een percentage van 30% vastgelegd, in 2015 wordt dit 50%.
Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. heeft op dit moment circa 200 leden welke gezamenlijk voor 420.000 ton ruwe drijfmest hebben ingeschreven. In bijlage V is het bedrijfsplan voor het initiatief toegevoegd. Hierin wordt aangegeven en onderbouwd op welke manier men aan de circa 500.000 ton te be-/verwerken mest komt en dat afkomst en aanbod van de benodigde mest voor een periode van ten minste vijf jaar is gegarandeerd.
c. de mestbewerking vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving en gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving ;
Gezien de te hanteren technieken en bedrijfsvoering zullen emissies naar derden niet of nauwelijks plaatsvinden. Daarnaast is de geplande locatie op geruime afstand gelegen tot bebouwingsconcentraties omliggende woonkernen. In deze notitie en de ruimtelijke onderbouwing behorende bij dit plan wordt in de diverse hoofdstukken specifiek ingegaan dat de goede leefomgeving niet wordt geschaad en op welke manier het initiatief voldoet aan de in artikel 3.1, derde lid, omschreven aspecten.
d. de omvang van het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
De beoogde ontwikkeling blijft in totaal binnen het daartoe aangewezen toegestane ruimtebeslag van een bouwperceel van 1,5 ha (bijlage VII).
e. er sprake is van een goede ontsluiting in verband met de te verwachten transportbewegingen;
In paragraaf 7.4. is onderbouwd dat de verwachten transportbewegingen geen problemen vormen voor de bestaande infrastructuur.
f. de opslag en verwerking van tussenproducten niet in de openlucht plaatsvindt;
Alle activiteiten inclusief opslag en verwerking van de mest vindt plaats intern in de nieuw te realiseren loods.
g. de aanvoer van dikke fractie is uitgesloten, tenzij de aanvoer is bedoeld voor vergistings en/ of hygiënisatie doeleinden;
Er vindt geen vergisting en geen aanvoer van dikke fractie plaats.
h. de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;
Ten behoeve van het ruimtelijke traject is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij minimaal 2.250 m2 aan landschappelijke inpassing is opgenomen (bijlage VI).
i. een bedrijfsplan is opgesteld dat inzicht geeft in het aanbod en de afkomst van de mest en coproducten;
In het opgestelde bedrijfsplan wordt aangegeven en onderbouwd dat afkomst en aanbod van de benodigde mest voor een periode van ten minste vijf jaar is gegarandeerd. Er worden uitdrukkelijk geen coproducten aangevoerd.
j. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.
De eerste gesprekken met omwonenden hebben reeds plaats gevonden en daarnaast is er ook een informatiebijeenkomst geweest voor de inwoners van Landhorst en Venhorst. Op dit moment is het dialoog met de omgeving nog gaande. Uiteindelijk zal er een beschrijving worden opgesteld van het gevoerde dialoog met de omwonenden. Hierin is niet alleen een beschrijving van het gevoerde dialoog
opgenomen, maar ook de bewijsvoering dat dit dialoog daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Daarnaast dient de ruimtelijke ontwikkeling te voldoen aan de artikelen 3.1 en artikel 3.2.
Hieraan wordt voldaan doordat het initiatief bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en zijn omgeving, door het realiseren van het landschapsplan. Door de uitvoering daarvan wordt voldaan aan het afsprakenkader voor uitwerking en toepassing van kwaliteitsverbetering van het landschap bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsverbetering dient volgens dit beleid te voldoen aan de zogenoemde buitencategorie (categorie 3), hierbij dient de forfaitaire methode toegepast te worden. Hiertoe zal een investering gedaan moeten worden in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Enerzijds kan dit door op de locatie zelf extra te investeren in het landschap, de te realiseren rietvijver is hier een voorbeeld van. Anderzijds kan deze investering op een andere locatie ingezet worden. Over de omvang en de locatie van deze investering zullen bindende afspraken gemaakt worden met het bevoegd gezag.
Met de beoogde ontwikkeling is ook rekening gehouden met de gevolgen voor de in de omgeving aanwezige gronden op onder meer het gebied van bodemkwaliteit, waterhuishouding, archeologie, cultuurhistorie, aardkundige waarden, landschappelijke waarden en verkeer/infrastructuur. Hierop wordt in het vervolg van dit document nog nader aandacht geschonken, voor zover dat nog relevant wordt geacht evenals aan de effecten van de ontwikkeling ten opzichte van de onderwerpen milieu en volksgezondheid.
Daarnaast is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, er wordt namelijk gedeeltelijk gebruik gemaakt van het bestaand bouwvlak en de bestaande bebouwing. In de huidige situatie zijn er binnen het bouwvlak een bedrijfswoning, een rundveestal, een loods en enkele sleufsilo’s aanwezig (bijlage VII). De bedrijfswoning blijft behouden en de rundveestal wordt verbouwd tot losplaats en werkplaats/opslagruimte. Alleen voor de extra benodigde ruimte wordt een nieuwe loods (2) gerealiseerd. Deze loods is grotendeels gelegen buiten het bestaande bouwvlak. De beoogde ontwikkeling blijft in totaal wel binnen het daartoe aangewezen toegestane ruimtebeslag van 1,5 ha (bijlage VII).
Gemeentelijke beleid 5.3.
5.3.1. Structuurvisie gemeente Sint Anthonis
Op 27 januari 2014 is de structuurvisie gemeente Sint Anthonis door de gemeenteraad van Sint Anthonis vastgesteld. De centrale ambitie voor het buitengebied, zoals die in deze structuurvisie is beschreven, is om ruimte te geven aan ontwikkelingen binnen de verschillende sectoren in het buitengebied van de gemeente Sint-Anthonis. Werken, wonen en recreëren moeten elkaar verbinden, versterken met oog voor de eigenheid en het karakteristiek landschap van de gemeente. Dat wenst men te bereiken door:
– Ontwikkelingsprocessen op gang te brengen die bijdragen aan het versterken van de functionele kwaliteiten van ons buitengebied.
– Processen op gang te brengen die bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteiten van ons buitengebied.
– Belemmeringen wegnemen voor innovatieve ideeën en ruimte maken voor verrassende ontwikkelingen die we nu nog niet kunnen voorzien.
Dat wordt niet bereikt door een blauwdruk van gewenste ontwikkelingen neer te leggen, maar door een kwalitatieve stip op de horizon te plaatsen. Een stip waarmee ondernemers
worden uitgedaagd en gestimuleerd daar met hun eigen initiatieven een bijdrage aan te leveren. De hoofdbeleidskeuzen voor onderhavige beleidsvisie zijn in 2012 door de raad vastgesteld in “Sint Anthonis Verbindt”. Deze structuurvisie bouwt daar op voort.
In deze Structuurvisie Buitengebied wordt per deelgebied en per mogelijke activiteit hoe de gemeente dat samen met de initiatiefnemer wenst te bereiken. Daarbij worden vier niveaus onderscheiden.
– Zeer grote kans op medewerking (Donker groene cel);
– Medewerking mogelijk onder voorwaarden (Lichtgroene cel);
– Terughoudend ten aanzien van medewerking, alleen onder stringente voorwaarde (Lichtgele cel);
– In beginsel geen medewerking (Oranje/bruine cel).
Figuur 11 Deelgebieden structuurvisie gemeente Sint Anthonis
De Quayweg 8 is, zoals zichtbaar in Figuur 11, gelegen in het deelgebied (1) Het agrarisch hart. Dit deelgebied, in het westen van de gemeente, is het grootschalig agrarische gebied langs de Middenpeelweg. Het gebied wordt gekenmerkt door de grootschaligheid van het landschap, de transparantie, een goede ontsluiting, grote intensieve veehouderijen en weinig burgerwoningen. Er is hier met name sprake van overwegend solitaire agrarische bebouwing. In dit gebied is vooral sprake van agrarische dynamiek. Het gebied ligt tussen de gemeentegrens aan de noordzijde (Noordstraat) en aan de westzijde (de Middenpeelweg/Grote Baan) en de bos- en natuurgebieden Sint Anthonisbos, de Stichting en recreatiepark De Bergen.
Dit deelgebied is hét primaire agrarisch gebied van de gemeente Sint Anthonis. In dit gebied stimuleren we primair, agrarisch ondernemerschap. Bestaande en nieuwe agrarische bedrijven krijgen hier van ons de ruimte om te ontwikkelen. Het is dé proeftuin
voor innovatieve, duurzame, agrarische concepten. De strategie is daarbij gericht op duurzaamheid, volksgezondheid, transparantie, dierenwelzijn, dierengezondheid. Niet alleen vanuit de wettelijke verplichtingen. We willen een stap verder gaan. Naar een nieuwe agrarische toekomst. Maar ook naar waardetoevoeging in de keten en aan de kwaliteiten van het gebied. In het Agrarisch Hart richten we ons de komende jaren op een duurzame en veilige agrarische productie van voedsel in een kwalitatief, hoogwaardig, grootschalig gebied. In dit gebied is ook ruimte voor agrarisch ondersteunende activiteiten zoals mestverwerking en loonwerkers activiteiten, dit is ook zichtbaar in de beleidsmatrix (Tabel 2).
Tabel 2 Beleidsmatix
Een initiatief als de mestverwerkingsinstallatie van M.A.C.E. valt dus binnen de mogelijkheden. In dit document wordt verder onderbouwd op welke manier wordt voldaan aan de beschreven voorwaarden.
5.3.2. Bestemmingsplan Buitengebied
Op 17 juni 2013 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Anthonis’ (NL.IMRO.1702.8BPbuitengebied-VA02) door de gemeenteraad van Sint Anthonis vastgesteld. In dit in bestemmingsplan heeft de planlocatie diverse bestemmingen gekregen.
Het gedeelte van het plangebied dat gelegen is binnen het bouwvlak (0,85 ha) is aangeduid met verschillende bestemmingen en aanduidingen:
– Enkelbestemming Agrarisch – Grondgebonden;
– Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch – 6;
– Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – verwevingsgebied;
– Gebiedsaanduiding other: agrarisch gebied.
– Dubbelbestemming Waarde – Peel raamstelling (gedeeltelijk);
– Functieaanduiding tuin (gedeeltelijk);
– Gebiedsaanduiding other: zoekgebied voor ecologische verbindingszone (gedeeltelijk);
– Gebiedsaanduiding other: zoekgebied behoud en herstel watersystemen (gedeeltelijk).
Het gedeelte van het plangebied dat gelegen is buiten het bouwvlak is ook aangeduid met verschillende bestemmingen en aanduidingen
– Enkelbestemming Agrarisch;
– Dubbelbestemming Waarde – Peel raamstelling;
– Gebiedsaanduiding other: agrarisch gebied;
– Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – verwevingsgebied;
– Gebiedsaanduiding other: zoekgebied voor ecologische verbindingszone (gedeeltelijk);
– Gebiedsaanduiding other: zoekgebied behoud en herstel watersystemen (gedeeltelijk).
Figuur 12 Verbeelding bestemmingplan buitengebied
Het bouwblok op de gewenste planlocatie is het volgens het huidige bestemmingsplan zodoende te gebruiken voor agrarische bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een grondgebonden bedrijf en een grondgebonden melkrundveehouderij (Figuur 12).
In het vigerende bestemmingsplan wordt mest be-/verwerking mogelijk gemaakt. In dit bestemmingsplan heeft de gemeente gekozen voor het toestaan van het oprichten van mest be-/verwerkingsinstallaties bij bestaande agrarische bedrijven, uitsluitend binnen het bouwvlak, en uitsluitend voor het eigen bedrijf. In de structuurvisie worden op basis van een gebied specifieke afweging ruimere mogelijkheden geboden. Gezien het ontwikkelingskarakter van deze mogelijkheden zijn deze echter niet opgenomen in het bestemmingsplan.
Op 07 oktober 2014 heeft de Provincie Noord-Brabant een reactieve aanwijzing t.a.v. Buitengebied Sint Anthonis 2013 (NL.IMRO.9930.ra1702bganthgc-gc02) vastgesteld. Deze
reactieve aanwijzing heeft alleen gevolgen voor het toedienen van digistaat (de vergiste mest) op eigen grond.
Ten behoeve van het bestemmingsplan zal met gebruik making van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’.

6. Overig beleid
Nieuwe Meststoffenwet 6.1.
Per 1 januari 2014 heeft het ministerie van EL&I het huidige meststelsel herzien. Het nieuwe stelsel is erop gericht de productie en afzet in evenwicht te brengen. Dit wil men bereiken door in te zetten op drie sporen:
– Een nieuw stelsel van verantwoorde mestafzet en verplichte mestverwerking;
– Voermaatregelen;
– Europese erkenning van hoogwaardige producten uit dierlijke mest als kunstmestvervanger.
Bij het initiatief aan De Quayweg 8 wordt ingespeeld op de verplichte mestverwerking. Op basis van de nieuwe mestwet is er namelijk een verbod op de productie van dierlijke mest, tenzij er voor de productie afzetruimte wordt geregeld. Bedrijven die meer dierlijke meststoffen produceren dan ze volgens de gebruiksnormen op eigen grond mogen aanwenden, moeten een percentage van het productieoverschot verwerkt worden. Voor de regio Zuid is voor 2014 voorlopig een percentage van 30% vastgelegd, in 2015 komt dit percentage naar verwachting tussen de 50 en 80 procent te liggen.
Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp U.A. heeft op dit moment circa 200 leden welke gezamenlijk voor 420.000 ton mest hebben ingeschreven. In bijlage V is het bedrijfsplan voor het initiatief toegevoegd. Hierin wordt aangegeven en onderbouwd op welke manier men aan de circa 500.000 ton te be-/verwerken mest komt en dat afkomst en aanbod van de benodigde mest voor een periode van ten minste vijf jaar is gegarandeerd.
Verordening dierlijke bijproducten 6.2.
De Verordening dierlijke bijproducten (EG nr. 1069/2009) en de Verordening tot uitvoering van Verordening nr. 1069/2009 (nr. 142/2011) hebben onder meer tot doel dat dierlijk materiaal, dat niet bestemd is voor humane consumptie, veilig wordt verwerkt. Dit om te voorkomen dat deze producten een risico vormen voor de gezondheid van mens of dier.
Mest is een dierlijk bijproduct en valt onder categorie 2-materiaal. De basisverordening (EG) nr. 1069/2009 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 142/2011 vormen de Europese basis voor dierlijke bijproducten. Gezien de aard van de verwerkingsactiviteit bij M.A.C.E, waarbij geen contact plaatsvindt met landbouwhuisdieren en geen andere producten dan mest worden verwerkt, zijn er vooral enkel eisen met betrekking tot export van toepassing.
De belangrijks eisen die in deze verordeningen is gesteld, heeft betrekking op het exporteren van mest. Hierin is opgenomen dat de mest een behandeling moet ondergaan waarbij sporenvormers en toxinevorming wordt onderdrukt en daarmee biologische risico’s tot de minimum worden beperkt. Daarnaast dient bij vervoer van deze gecomposteerde mest naar het buitenland gebruik gemaakt te worden van een specifiek model handelsdocumentmodel, dit model is opgenomen in Bijlage VIII van de Verordening EU nr. 142/2011. M.A.C.E. zal zorg dragen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.
Best beschikbare technieken 6.3.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast. Bij de bepaling van BBT dient in zijn algemeenheid de in de artikel 5.4 van het Bor vermelde aspecten te betrekken, rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van maatregelen, en met het voorzorg- en het preventiebeginsel. In het bijzonder dient het bevoegd gezag bij de bepaling van voor de inrichting in aanmerking komende BBT overeenkomstig paragraaf 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) rekening te houden met de BBT-documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. Met de in tabel 1 van de bijlage vermelde documenten (BREF’s) wordt in ieder geval rekening gehouden, voor zover het de daarbij vermelde gpbv-installaties betreft. De BREF’s zijn de referentiedocumenten voor de BBT zoals die zijn vastgesteld door de Europese Commissie. Met de in tabel 2 van de bijlage vermelde documenten wordt rekening gehouden, voor zover deze documenten betrekking hebben op onderdelen van of activiteiten binnen de inrichting. Tabel 2 van de bijlage bevat een lijst van thans algemeen in Nederland toegepaste documenten die kunnen worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van BBT en die ingevolge de onderhavige regeling door vergunningverleners bij het bepalen van BBT zullen moeten worden toegepast. Sommige documenten, zoals de NeR en de NRB, gelden voor alle inrichtingen. Andere, zoals de PGS-richtlijnen, gelden slechts voor een bepaalde categorie inrichtingen en activiteiten.
Dit volgt dan uit het betreffende document. Voor inrichtingen met een gpbv-installatie zullen deze documenten moeten worden toegepast in aanvulling op of als nadere uitwerking van de voor die inrichtingen van toepassing zijnde BREF’s. Tabel 1 en 2 worden geactualiseerd naar aanleiding van het verschijnen, vervallen of herzien van BBT documenten.
Op de onderhavige inrichting zijn slechts een aantal van de in tabel 2 genoemde documenten van toepassing daar het hier een gpbv-installatie betreft. Daar waar de aangevraagde verandering betrekking heeft op deze BBT-documenten, zal hier verder op worden ingegaan.
Beoordeling en toetsing
De inrichting zoals deze wordt aangevraagd wordt, door het bevoegd gezag, aangemerkt als een IPPC-installatie in de zin van categorie 5.3 van bijlage 1 bij de Richtlijn Industriële Emissies. Deze categorie ziet op de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50t per dag (sub a) of nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75t per dag (sub b).
Met betrekking tot de aspecten voor de bepaling van de BBT als genoemd in het Bor merken wij het volgende op:
Toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken
Bij de toegepaste technieken komen nauwelijks afvalstoffen vrij. Afvalstoffen die vrij komen, beperken zich tot geringe hoeveelheden huishoudelijk afval, papier, karton, metaal, glas, kunststof en hout, hetgeen onoverkomelijk is.
Toepassing van minder gevaarlijke stoffen
Er worden in het proces – op enkele hulpstoffen (zwavelzuur) na – geen gevaarlijke stoffen toegepast. De gevaarlijke stoffen, zoals zwavelzuur, die toegepast worden binnen de inrichting zijn noodzakelijk en kunnen niet vervangen worden door niet gevaarlijke stoffen.
Ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen
Binnen de inrichting worden gedurende het proces enkele stoffen geproduceerd die verder worden verwerkt of in een enkel geval opnieuw worden toegevoegd verderop in het proces. Afvalstoffen komen beperkt vrij en worden niet hergebruikt binnen de inrichting.
Vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd en de ontwikkeling daarvan
Binnen de inrichting worden de modernste technieken toegepast ten behoeve van de opslag, be- en verwerking van mest. Dit zijn op zich zelf staand technieken die reeds in de praktijk beproefd zijn. De techniek van de verdamper en stripper is nieuw voor Nederland, in België is deze techniek wel al reeds in de praktijk gebracht. Alleen het achter elkaar zetten van de verschillende technieken in het gehele mestverwerkingsproces is nieuw.
Vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis Vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis wordt door vergunninghouder gesignaleerd en gerapporteerd in het milieulogboek.
Aard, effecten en omvang van de betrokken emissies
De aard, effecten en omvang van de emissies zijn in het hierna volgende overwogen in de paragrafen inzake lucht, geur, geluid, afvalwater en bodem. Op de betreffende locatie wordt in het proces zuur toegevoegd in de stripper voor beperking van emissies. Zodoende kan deze stripper ook gezien worden als een soort van zure luchtwasser. Daarnaast wordt de gehele hal op onderdruk gehouden en middels een luchtwasser verlaat de lucht de hal. Hiermee wordt voldaan aan de emissie-eisen.
Data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen
De installaties in de inrichting zijn thans nog niet in bedrijf. Het betreft een nog op te richten inrichting.
De tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen
Betere technieken dan aangevraagd, zijn thans niet aan de orde.
Het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie
Het verbruik van grondstoffen, zoals water, elektriciteit, aardgas en dieselolie beperkt zich tot de procesgerelateerde noodzakelijke behoefte aan die grondstoffen.
Noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken
Het milieu-effect van de emissies en de eventuele risico’s voor het milieu van de activiteiten binnen de inrichting worden in de navolgende paragrafen allemaal afgewogen. Hieruit blijkt dat de inrichting milieuhygiënisch verantwoord is.
Noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken
Voor de overwegingen met betrekking tot het voorkomen van ongevallen en beperking van de gevolgen daarvan wordt verwezen naar de overwegingen van paragraaf ‘Externe Veiligheid’. Het gaat binnen de inrichting om de opslag en het be- en verwerken van mest. Risico’s voor de omgeving zijn zeer beperkt aanwezig en worden bovendien door de te treffen maatregelen tot een minimum beperkt.
Voor de inrichting van M.A.C.E. zijn voor een adequate en actuele invulling van BBT de in onderstaande in tabel van het Mor genoemde informatiedocumenten, voor zover de documenten betrekking hebben op onderdelen van of activiteiten binnen de inrichting, van toepassing

Water 6.4.
Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water in de ruimtelijke plan- en besluitvorming. Daarvoor is overleg nodig met de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium. Het gaat bij de watertoets niet zozeer om een toets achteraf maar om vroegtijdige en actieve inbreng van de waterbeheerder. Met de Watertoets wordt er naar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundig en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren; het is niet de bedoeling dat er met de watertoets nieuw beleid wordt gemaakt.
Hoofdpunten van het instrument Watertoets zijn:
• Vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder(s) bij het proces van ruimtelijke planvorming
• Transparante besluitvorming rond het belang van water in het ruimtelijke plan
Met de watertoets wordt geen nieuw beleid gemaakt. De werking van de Watertoets is uitgebreid beschreven in de Bestuurlijke Notitie Watertoets en de nadere toelichting in de Handreiking die in oktober 2001 zijn vastgesteld in het bestuurlijk overleg Waterbeleid 21ste
eeuw. Per 1 november 2003 is een wijziging op het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) van kracht waarmee de watertoets ook wettelijk verankerd is.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Een dergelijke waterparagraaf is opgenomen in de toelichting bij een streekplan, een regionaal structuurplan, een gemeentelijk structuurplan, een bestemmingsplan en bij de ruimtelijke onderbouwing bij vrijstellingen. Deze verplichting vloeit voort uit het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, dat op 3 juli 2003 is vastgesteld. Een waterparagraaf wordt niet voorgeschreven voor ruimtelijke plannen van het Rijk.
Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Sint Anthonis is in handen van het Waterschap Aa en Maas. Het plan dient zodoende te voldoen aan het beleid van Waterschap Aa en Maas ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen.
Waterbeheerplan 2010-2015
In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2010-2015 en hoe deze doelen bereikt moeten worden. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Het waterbeheerplan ‘Krachtig water’ is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Waterschap Aa en Maas op 13 november 2009.
Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s:
• Veilig en bewoonbaar gebied;
• Voldoende water;
• Schoon water;
• Natuurlijk water.
Met betrekking tot het thema veilig en bewoonbaar gebied zal worden geïnvesteerd in het verbeteren van dijken zodat de veiligheid tegen overstromingen blijft gewaarborgd. Daarnaast worden grootste knelpunten van de wateroverlast opgelost (stedelijk gebied).
In het kader van het thema voldoende water worden de plannen voor de gewenste grond- en oppervlakteregime (GGOR) in zowel landbouw- als natuurgebieden vastgesteld. In de belangrijkste verdroogde natuurgebieden wordt opgepakt overeenkomstig het provinciale programma. Daarnaast worden de baggerachterstanden verder weggewerkt.
Het Schoon water thema zet in op de samenwerking met gemeente. Er wordt voorrang verleend aan het terugdringen van de prioritaire stoffen en overige relevante stoffen in het oppervlaktewater. Er zal worden onderzocht of er verontreinigingen in de waterbodems zitten en waar nodig zal het betreffende waterlichaam worden gebaggerd. Initiatieven om diffuse verontreiniging terug te dringen worden gestimuleerd. Daarnaast zal gezocht worden naar nieuwe manier om afvalwater voordelig te zuiveren.
Met betrekking tot het thema Natuurlijk water zijn er sinds 2000 Europese normen voor de
leefomgeving van planten en dieren in en rond het water vastgelegd in de Kaderrichtlijn water. Hier wordt (nog) niet aan voldaan. Om de normen te halen moet voor 2027 200
kilometer beek hersteld worden. In de planperiode 2010-2015 zal de aandacht uitgaan naar 30 kilometer beek. Tevens wordt er 120 kilometer ecologische verbindingszones aangelegd samen met gemeente en terreinbeheerders. Voor een gezonden visstand worden er 50 barrières voor de vistrek opgeheven. In de stedelijke gebieden wordt samen met de gemeente de belangrijkste knelpunten aangepakt (blauwalg, waterstank).
Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk
Voor Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas is de beleidsterm “hydrologisch neutraal ontwikkelen” in de notitie ‘Ontwikkelen met duurzaamwateroogmerk’ inhoudelijke uitgewerkt en onderbouwd. Bovendien zijn de (nieuwe) uitgangspunten en randvoorwaarden van beide waterschappen bij dit project geïntegreerd. Deze uitgangspunten en randvoorwaarden worden toegepast in het proces van de watertoets.
De beleidsterm “hydrologisch neutraal ontwikkelen” geeft invulling aan het “niet afwentelen” principe, zoals door de commissie waterbeheer 21e eeuw (WB21) is gegeven. In principe heeft elke ruimtelijke ontwikkeling invloed op de hydrologie. De beleidsterm “hydrologisch neutraal” heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg hebben. Zo mogen bijvoorbeeld geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en het beïnvloedingsgebied.
De definitie van ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’ is vertaald in een aantal toetsbare criteria:
a) Er is geen toe- of afname van de waterafvoer op de rand van het plangebied;
b) Er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn);
c) Er mag geen overlast optreden door extreme gebeurtenissen;
d) De omvang van grondwateraanvulling blijft gelijk (dit is de som van infiltratie vanaf oppervlak, inzijging vanuit oppervlaktewater, kwel en drainage);
e) Er mogen geen veranderingen van grondwaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn).
Plangebied referentiesituatie
Het plangebied is voor het grootste gedeelte gelegen binnen grondwatertrap VI. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is circa 60-80 cm-mv (Figuur 13) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan 120 cm-mv (Figuur 14). Het plangebied is verder niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, hoogwaterbeschermingsgebied of een gebied ten behoeve van regionale waterberging.
Figuur 13 Grondwaterstanden kaart GHG (Wateratlas Provincie Noord-Brabant)
Figuur 14 Grondwaterstanden kaart GLG (Wateratlas Provincie Noord-Brabant)
De afvoercoëfficiënt op de locatie bedraagt 0,67 l/s/ha (Figuur 15).
Figuur 15 Uitsnede afvoercoëfficiëntenkaart (Waterschap Aa en Maas)
De huidige inrichting aan de Quayweg 8 te Landhorst heeft een bestaand verhard oppervlakte van 2.043 m2 dakoppervlak, 1.500 m2 sleufsilo’s en 1.200 m2 aan erfverharding. Al het regenwater wordt op dit moment afgevoerd naar de omliggende sloten en terreinen.
In de voorgenomen situatie, zal het dakoppervlakte met 5.195 m2 toenemen en de erfverharding wordt uitgebreid met 5.230 m2, de sleufsilo’s komen te vervallen. In totaal is er zodoende spraken van een toename aan verhard oppervlak van circa 8.895 m2 (Tabel 4).
Oppervlakte
Huidig m2
Toekomstig m2
Toename
Dakoppervlak
2.050
7.245
5.195
Sleufsilo’s
1.530

-1.530
Erfverharding
1.200
6.430
5.230
Totaal:
4.780
13.675
8.895
Tabel 4 Verhard oppervlakte in huidige en gewenste situatie
Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen
Voor Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas is de beleidsterm “hydrologisch neutraal ontwikkelen” in de notitie ‘Ontwikkelen met duurzaamwateroogmerk’ inhoudelijke uitgewerkt en onderbouwd. Bovendien zijn de (nieuwe) uitgangspunten en randvoorwaarden van beide waterschappen bij dit project geïntegreerd. Deze uitgangspunten en randvoorwaarden worden toegepast in het proces van de watertoets.
Om hydrologisch neutraal te ontwikkelen en versnelde afvoer te voorkomen, worden de volgende waterkwantiteitsrits ‘hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer’ gehanteerd. Hierbij is de optie ‘hergebruik’ het meest wenselijk en de optie ‘afvoeren naar oppervlaktewater’ het minst wenselijk.
Optie ‘hergebruik’: Hergebruik van regenwater vindt niet plaats binnen het plan van de initiatiefnemer. Binnen de inrichting zijn geen mogelijkheden deze hemelwater toevoer te verwerken of te hergebruiken.
Optie ‘infiltratie’: Geconcludeerd kan worden dat op basis van de grondwaterstanden (GHG 0,8 m – mv), de infiltratiemogelijkheden ter plaatse en het bodemtype (zand), de bodem goede mogelijkheden biedt voor de berging en infiltratie van hemelwater. In periode van hoge grondwaterstanden zijn de infiltratiemogelijkheden beperkter.
Middels het realiseren van een waterbergingsvoorziening wordt voldaan aan hydrologisch neutraal ontwikkelen (bijlage IIX). Deze waterbergingsvoorziening heeft een capaciteit van minimaal 426 m3 (T10+10%). Het extra volume hemelwater (T100+10%) wordt voor een groot gedeelte ook opgevangen in de waterbergingsvoorziening, de overig hoeveelheid wordt met een maximale afvoercoëfficiënt van 0,67 l/s/ha afgevoerd naar de te realiseren rietvijver. Door de realisatie van de waterbergingsvoorziening wordt zorg gedragen dat het water dat binnen het plangebied valt ook binnen het plangebied zal worden geïnfiltreerd. Deze waterbergingsvoorziening is als een poel in het landschappelijke inpassingsplan opgenomen (bijlage VI).
Lozen proceswater
De technieken van mest be-/verwerking zijn inmiddels zover ontwikkeld, dat er proceswater geproduceerd wordt dat geloosd mag worden op het oppervlaktewater. In de nabijheid van de planlocatie is het Defensie-/Peelkanaal gelegen. Hierop zal lozing van het proceswater (370.000-365.000 ton per jaar) plaatsvinden, mits deze voldoet aan de gestelde samenstellingseisen. Voordat het proceswater geloosd wordt op het naastgelegen Defensie-/Peelkanaal, wordt het tijdelijk opgeslagen in een rietvijver. Deze rietvijver zal wordt gesitueerd achter loods 2. In Figuur 16 is een situatietekening weergegeven op welke manier een dergelijke rietvijver gerealiseerd zou kunnen worden. Het water zal met een betrekkelijk lage stroomsnelheid door de rietvijver lopen, waarna het uiteindelijk wordt geloosd in het Defensie-/Peelkanaal.
Figuur 16 Situatietekening en doorsnede rietvijver
Ten behoeve van het lozen van het proces water op het oppervlaktewater wordt een vergunning aangevraagd bij het bevoegd gezag, dit betreft Waterschap Aa en Maas. In deze vergunning zal beschreven staan aan welke eisen (o.a. monitoring en waterkwaliteit) voldaan moet worden.
Risico’s met betrekking tot bodem en (grond)water en mest be-/verwerking
Onderstaand worden de meest risicovolle activiteiten beschreven voor wat betreft bedreiging van bodem en grondwater.
Lossen ruwe drijfmest:
De ruwe drijfmest wordt gelost bij de losplaats. De vloer van de losplaats zal worden gerealiseerd middels een vloeistofkerende vloer waarmee emissie naar de bodem wordt voorkomen.
Opslag van ruwe drijfmest:
De ruwe drijfmest wordt opgeslagen in bunkers welke voldoen aan de Richtlijnen Mestbassins 1992.
Leidingen:
De leidingen zijn dusdanig uitgevoerd en afgeschermd dat de kans op beschadiging nihil is. Daarnaast worden de leidingen regelmatig geïnspecteerd.
Opslag dikke fractie mest:
De dikke fractie van de mest wordt opgeslagen op een vloeistofkerende vloer. Gezien het hoge drogestof gehalte zal er geen sprake zijn van uittredend vocht.
Opslag hulpstoffen in tanks en emballage:
De hulpstoffen worden opgeslagen in emballage. De opslag vindt plaats conform PGS15. De inrichting zal voor wat betreft de bescherming van de bodem en het grondwater voldoen aan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB).
Verkeer en parkeren 6.5.
De planlocatie is gelegen aan De Quayweg welke na circa 1 kilometer aansluit op de Grote Baan (N277). De Quayweg betreft een weg welke voldoende breed (> 6 m) is om twee passerende vrachtwagens of overig zwaar transport elkaar te laten passeren. Daarnaast wordt het snelle en langzame verkeer van elkaar gescheiden doordat er naast De Quayweg een fietspad is gelegen.
Op basis van de aanvraag voor een verwerking van 500.000 ton ruwe drijfmest is er sprake van de aantallen noodzakelijke vrachten zoals in Tabel 5 is weergegeven.
Aanvoer 500.000 ton ruwe drijfmest
36 ton per vracht = 13888 vrachten / 250 werkdagen
55,55 vrachten per dag
Aanvoer 3.500 ton zwavelzuur
36 ton per vracht = 98 vrachten / 250 werkdagen
0,39 vrachten per dag
Afvoer 52.000 ton gecomposteerde vaste fractie
28 ton per vracht = 1857 vrachten / 250 werkdagen
7,42 vrachten per dag
Afvoer 20.000 ton concentraat
36 ton per vracht = 555,5 vrachten / 250 werkdagen
2,22 vrachten per dag
Extra vrachtenbewegingen
o.a. leveren onderdelen en brandstof
2 vrachten per dag
Personenauto’s/busjes
o.a. personeel en leveranciers
20 auto’s/busjes per dag
Totaal
16.967,5 vrachten / 250 werkdagen
68 vrachten per dag
20 auto’s/busjes per dag
(bij 5 aan-/afvoerdagen per week)
Tabel 5 Noodzakelijke vrachten
In de onderzoeken zoals deze door M&A zijn uitgevoerd is uitgegaan van een maximale verkeersintensiteit in de dag-, avond- en nachtperiode met 150, 6 en 2 vrachtwagenbewegingen en 20, 2 en 2 personen- of bestelautobewegingen. Voor het verkeersonderzoek (Bijlage IX) zijn tevens verkeerstellingen uitgevoerd op De Quayweg. Hieruit blijkt dat er op een gemiddelde weekdag een etmaalintensiteit is van 1.823 motorvoertuigen. Voor het spitsuur zijn maximaal 180 voertuigen geteld, welke zijn verdeeld in 169 lichte voertuigen, 10 middelzware voertuigen en 11 zware voertuigen.
De verkeersbewegingen zoals deze zijn gemeten zullen met de komst van M.A.C.E. toenemen. Gezien 95% van het vrachtverkeer in westelijke richting (naar de N277) wordt afgewikkeld zal de toename in verkeer ook voornamelijk op dit gedeelte van De Quayweg plaatsvinden. 5% van het vrachtverkeer zal in oostelijke richting afgewikkeld worden, waarna een gedeelte zijn weg via de Tweede Stichting vervolgd en een gedeelte De Quayweg verder volgt. Slechts een beperkt gedeelte van het vrachtvervoer zal dan ook langs de dorpskern van Landhorst komen.
Uit het verkeersonderzoek volgt dat door de ontwikkeling van M.A.C.E er geen verkeersproblemen of lange wachttijden te verwachten zijn op De Quayweg.. Qua veiligheid is er daarnaast geen noodzaak om De Quayweg aan te passen. Wel dient nader onderzocht te worden of het asfalt ter plaatse van de hoofdinrit geschikt is voor al het afdraaiende verkeer. Tevens blijkt uit het NER/Luchtkwaliteitsonderzoek en het Akoestisch onderzoek dat er ondanks de geringe toename in fijnstof, stikstofdioxide en geluid ruimschoots voldaan wordt aan de gestelde normen.
Op het terrein van M.A.C.E. zal voldoende ruimte zijn om de diverse vrachtwagens en personen- of bestelauto’s te parkeren. Zodoende is er geen noodzaak om voertuigen te parkeren op of langs De Quayweg, waardoor hierdoor ook geen opstoppingen met bijbehorende gevaarlijke situaties ontstaan.
Ecologie 6.6.
Flora- en Faunawet
De Flora- en faunawet vormt voor wat betreft de soortenbescherming een concrete en correcte implementatie van de habitatrichtlijn. Deze wet is op 1 april 2002 in werking
getreden. Doel van deze wet is de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Als gevolg van ruimtelijke ingrepen is het mogelijk dat beschermde soorten beschadigd, verstoord of vernietigd worden. Als op basis van onderzoeksgegevens blijkt dat beschermde soorten voorkomen, kan dit consequenties hebben voor de voorgenomen ruimtelijke ingreep.
De Flora- en Faunawet regelt de bescherming van planten en dieren in Nederland. Belangrijk daarbij zijn de volgende verbodsbepalingen. Het is verboden;
– Planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, ter vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. (art 8 Flora- en Faunawet);
– Dieren; behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. (art 9 Flora- en Faunawet);
– Dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. (art 10 Flora- en Faunawet);
– Nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. (art 11 Flora- en Faunawet);
– Eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen (art. 12 Flora- en Faunawet).
De voorgenomen activiteiten mogen niet leiden tot een overtreding van de bovengenoemde verboden.
Met ingang van juli 2004 geldt een Wijziging Besluit vrijstelling beschermde plant- en diersoorten. Met de wijziging worden knelpunten opgelost die o.a. bestaan bij ruimtelijke projecten als gevolg van de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten. Bij veel werkzaamheden hiermee samenhangend is het niet langer nodig een ontheffing van Flora- en Faunawet aan te vragen om beschermde dieren te verstoren of bijvoorbeeld beschermde planten te maaien. In plaats hiervan gaat een vrijstelling gelden. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling is het wel nodig om te werken volgens een gedragscode. Alleen als het gaat om veel voorkomende soorten is het niet nodig om volgens een dergelijke gedragscode te werken.
Middels een Quick Scan Flora en Fauna (Bijlage X) is onderzocht of er binnen het plangebied of in de nabijheid daarvan beschermde soorten aanwezig zijn. Uit het literatuuronderzoek komt naar voren dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk broedvogels en vleermuizen) voor kunnen komen. Tijdens het veldonderzoek zijn echter geen waarneming gedaan van eventueel aanwezige beschermde soorten. Zodoende is in deze Quick Scan geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn op grond van de natuurwaarden. Bij de bouwwerkzaamheden dient evenwel aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden.
Ecologische hoofdstructuur
De ecologische hoofdstructuur is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Het netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook beheersgebieden behoren ertoe. Elk EHS-gebied heeft een zogenoemd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. De provincies wijzen de natuurdoelen aan. Als de natuurdoelen zijn gehaald en de natuurgebieden een samenhangend geheel vormen, zal de EHS klaar zijn. De EHS moet in 2018 gereed zijn en zal dan een totale oppervlakte van 728.500 hectare omvatten. Dat is gelijk aan ongeveer 17,5% van de totale oppervlakte van Nederland. Voor de totstandkoming van de EHS zal volgens de doelstelling tot 2018 ongeveer 150.000 hectare grond aan de landbouw worden onttrokken.
Het Rijk heeft in 1995 de algemene grenzen van de EHS aangegeven. Vervolgens hebben de provincies in hun streekplannen meer concrete grenzen vastgelegd. De provincies bepalen de contouren, waarna aan de gemeenten wordt gevraagd om de gebieden in het bestemmingsplan de juiste juridische bescherming te geven. Doordat de grenzen van de EHS zijn vastgelegd in de verschillende beleidsstukken zullen ruimtelijke projecten die de realisatie van de EHS frustreren geen doorgang kunnen vinden.
Figuur 17 Ecologische hoofdstructuur
In de omgeving van het plangebied (Figuur 17) is de wal langs het Defensie-/Peelkanaal, de Staartjesche Peel en de Sint Anthonisbos aangewezen als ecologische verbindingszone. De kortste afstand van het plangebied (de bestaande stal) tot de dichtbij gelegen ecologische hoofdstructuur bedraagt ca. 7,5 meter. De plannen hebben echter geen invloed op de ontwikkeling en het functioneren van de ecologische hoofstructuur.
Vogel- en Habitatrichtlijn
De Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG, 2 april 1979) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) zijn beide Europese richtlijnen. Het doel van de Vogelrichtlijn is het bieden van bescherming en ontwikkelingsperspectief voor leefgebieden van zeldzame en bedreigde vogelsoorten en bescherming van alle vogelsoorten. De Habitatrichtlijn is
gericht op de instandhouding van “natuurlijke habitats” en “wilde flora en fauna”. De soortbescherming van beide wetten is geïmplementeerd in de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming is door middel van beide richtlijnen vastgelegd in de aanwijzing van speciale beschermingszones, die het meest geschikt zijn als leefgebied voor beschermde vogelsoorten en die van belang zijn voor de instandhouding van bepaalde natuurlijke habitats en bepaalde flora en fauna.
Voor ieder project of plan in of nabij een speciale beschermingszone kunnen de bevoegde overheden, zoals de gemeente, pas toestemming geven “nadat zij op basis van een passende beoordeling de zekerheid hebben gekregen dat het project of plan de natuurlijke kenmerken en/of soorten van het betrokken gebied niet significant aantast”. Ook bestaand grondgebruik is aan deze onderzoeksplicht onderworpen.
De kortst gelegen habitatrichtlijngebieden betreffen de ‘Deurnesche Peel en Mariapeel’ en de ‘Oeffeltermeent’ op circa 14 kilometer, het kortst gelegen vogelrichtlijngebied betreft de ‘Deurnesche Peel en Mariapeel’ op circa 14 kilometer. Met name door de zeer sterk emissie reducerende maatregelen die doorgevoerd worden en de afstanden tot aan de gevoelige gebieden kan uitgesloten worden dat door de aangevraagde situatie sprake is van significante verstorende effecten op kwalificerende soorten dan wel verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende natuurlijke habitats in de genoemde gebieden. In april 2014 is reeds separaat een aanvraag voor een Natuurbeschermingswet ingediend bij de Provincie Noord-Brabant.
Archeologie en cultuurhistorie 6.7.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De locatie valt niet onder een UNESCO-werelderfgoed, kenmerkend stads- en dorpsgezicht, nationaal landschap, rijksmonument of cultuurhistorische waarden in of op de zeebodem zodoende zijn er vanuit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geen belemmeringen op de gewenste ontwikkelingen.
Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Provincie Noord-Brabant
In 2010 is door de provincie Noord-Brabant een nieuwe cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart 2010 is hieronder in Figuur 18 opgenomen. Deze kaart behandeld cultuurhistorische regio’s, -vlakken, -landschappen en –complexen. De planlocatie is niet gelegen binnen een cultuurhistorisch vlak, -landschap dan welk -complex.
De locatie is gelegen in de Regio ‘Peelkern’ en het Landschap ‘Landgoederenzone in de Peel’. De aangelegen weg ‘De Quayweg’ en het ‘Defensie-/ Peelkanaaal’ waaraan de planlocatie is gelegen is wel aangeduid als historisch groen en als lijn van hoge waarde.
Figuur 18 Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Provincie Noord-Brabant
‘De Peelkern’ is een grootschalig en primair landbouwgebied. Het landschap kenmerkt zich door uitgestrekte akkers met bebouwing en bebossingen die belangrijk zijn voor natuur en recreatie. De intensieve veehouderij heeft zich in dit gebied krachtig ontwikkeld. Door ruilverkaveling heeft schaalvergroting plaatsgevonden. De ontwikkelingsstrategie voor deze regio is als volgt:
1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.
2. De cultuurhistorische waarden van de Peelkern in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de Peel-Raamstelling en de cultuurhistorische landschappen: “Griendtsveen-Helenaveen” en ”Landgoederenzone in de Peel” (Groote Slink-De Bunthorst, Stippelberg, Cleefs Wit – De Sijp, Princepeel).
Het landschap van ‘Landgoederenzone in de Peel’ bestaat uit een ensemble van landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de grootschalige, jonge ontginningen waarvan de landgoederen deel uitmaken. De lange rechte lijnen worden grotendeels bepaald door
laatmiddeleeuwse dorpsgrenzen. De laanbeplantingen zijn vaak monumentaal. De strategie voor dit landschap bestaat uit het behoud en beter beleefbaar maken van monumentaal ontginningslandschap met grote lijnen, zoals lanen. De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit. Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving.
De voorgenomen ontwikkeling tast deze waarden niet onevenredig aan. Daarnaast zal een landschappelijk inpassingsplan opgesteld worden, waarmee de geografische lijnen juist worden versterkt.
Nota archeologie van de gemeente Sint Anthonis
In de Nota archeologie van de gemeente Sint Anthonis stelt de gemeente zich ten doel steeds een verantwoorde afweging te maken tussen wat in de bodem bewaard moet blijven, onderzocht dient te worden of verloren mag gaan. Om dit te kunnen beoordelen is een archeologische beleidskaart opgesteld waarin de gemeente is opgedeeld in verschillende categorieën. De gemeente Sint Anthonis hanteert voor de verschillende
categorieën van deze beleidskaart een verschillende ondergrens voor een onderzoeksplicht
(Tabel 6).
Categorie 1 Niet van toepassing
Categorie 2 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50
cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 100 m2.
Categorie 3 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50
cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.
Categorie 4 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50
cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.
Categorie 5 Onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50
cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 2500 m2.
Categorie 6 Geen onderzoeksplicht
Categorie 7 Geen onderzoeksplicht
Tabel 6 Toelichting op de categorieën
Figuur 19 Archeologiesche beleidskaart
Uit Figuur 19 blijkt dat het plangebied is gelegen in categorie 6 en 7. Dit betreffen gebieden
met een lage of zonder verwachtingswaarde. Tevens is een kleine strook langs het
Defensie- /Peelkanaal aangeduid als peelraamstelling.
Deze beleidsnotitie is door vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Hierin heeft
de planlocatie geen gebiedsaanduiding waarde archeologie gekregen. Van daaruit zijn dan
ook geen verdere beperkingen. Wel is een strook (+/- 15,5 m) evenwijdig aan het Defensie-
/Peelkanaal aangeduid met de Dubbelbestemming Waarde – Peel raamstelling. In deze
strook vinden geen nieuwe bouwactiviteiten plaats, wel staat er de bestaande
melkrundveestal welke wordt verbouwd ten behoeve van de losplaats en
werkplaats/opslagruimte. Daarnaast wordt deze strook ingericht ten behoeve van de
landschappelijke inpassing. Hierin is zichtbaar dat deze strook in gebruik is als onderhoud pad ten behoeve van het defensiekanaal, tevens is op deze strook een reeds bestaande bomenrij aanwezig, welke zal worden gehandhaafd.
Externe veiligheid 6.8.
Wat betreft externe veiligheid is het van belang na te gaan of er risicovolle inrichtingen
en risicovolle transportleidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen
aanwezig zijn die mogelijk invloed kunnen hebben op het plan. Om deze risico’s te kunnen beoordelen is rapport ‘risico-inventarisatie externe veiligheid’ opgesteld (bijlage XI).
In dit rapport is gekeken naar drie aspecten:
– risico’s door bepaalde risicovolle inrichtingen zoals b.v. LPG-stations, opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen of propaantanks;
In de omgeving van de inrichting liggen twee stationaire bronnen in de vorm van bovengrondse propaantanks. De inrichting is echter niet gelegen binnen de geldende veiligheidsafstand van deze bronnen.
– risico’s door transport van gevaarlijke stoffen over water, spoorweg en de weg;
In het rapport wordt geconcludeerd dat in de omgeving geen wegen aanwezig zijn die aangewezen zijn als route voor gevaarlijke stoffen. De Quayweg wordt wel gebruikt als bevoorradingroute voor propaantanks bij de gebruikers in het buitengebied, dit geeft echter geen significante plaats- of groepsgebonden risico.
– risico’s door transport van gevaarlijke stoffen door bepaalde ondergrondse leidingen (b.v. hogedruk aardgasleidingen).
Er is één buisleiding op ca. 50 meter van inrichting gelegen. Gezien de veiligheidscontour alleen bovenop de leiding zelf is gelegen geeft deze leiding geen negatieve invloed op de externe veiligheid binnen de inrichting.
Verder zijn de eventuele risicobronnen binnen het bedrijf onderzocht op basis
van de externe veiligheid. Met name de opslag van zwavelzuur is nader bekeken. Deze opslag wordt, indien de veiligheidsregels in acht worden genomen, niet als risicovolle activiteit beschouwd. Ook de enkele transportbeweging per dag die plaats kan vinden voor het bijvullen van de opslagtanks, levert geen noemenswaardige risico’s.
Om eventuele veiligheidsrisico’s voor zowel omgeving als personeel zoveel mogelijk uit te sluiten en of bij calamiteiten zoveel mogelijk in te beperken is er voor de inrichting een calamiteitenplan (bijlage XII) opgesteld. In dit plan zijn onder andere de diverse stappen beschreven welke uitgevoerd moeten worden bij calamiteiten als brand, explosiegevaar, etcetera. Tevens zijn hier de diverse instanties met bijbehorende telefoonnummers weergegeven welke gebeld moeten worden bij calamiteiten.